Spring naar inhoud

Beleggingen

5.1 Resultaten beleggingen

Performance

In 2024 bedroeg het behaalde totaalrendement op de beleggingen 11,7%. Het gerealiseerde rendement op de beleggingsportefeuille in 2024 was 1,6% lager dan het rendement van de benchmark. 

  In % per categorie 2024   In % per categorie 2023
  Realisatie Benchmark   Realisatie Benchmark
Vastrentende waarden portefeuille  0,5   4,8     8,1   6,4 
           
Zakelijke waarden portefeuille          
Aandelen  24,9   24,5     17,5   18,5 
Grondstoffen  9,1   12,4     -6,6   -11,0 
Vastgoedfondsen  4,7   4,0     4,1   3,8 
Zakelijke waarden (excl. derivaten)  20,1   20,0     12,6   12,8 
           
Valutaderivaten  -1,2   -1,2     0,5   0,5 
Aandelenderivaten  -   -     -   - 
           
Zakelijke waarden (incl. derivaten)  18,9   18,8     15,5   11,8 
           
TOTAAL  11,7   13,3     11,6   11,1 

Door een gedaalde rente presteerde de vastrentendewaardenportefeuille in 2024 licht positief. Het resultaat was minder dan dat van de benchmark. De beleggingen in staatsobligaties droegen hier vooral aan bij. Begin 2024 waren de rentes op euro renteswaps hoger dan de rentes op euro staatsobligaties. Eind 2024 is dat helemaal omgedraaid: de swapspread was per eind 2024 negatief. Schuldenposities van de landen zijn verslechterd en de Europese Centrale Bank (ECB) heeft posities in staatsobligaties afgebouwd. Ook pensioenfondsen beleggen minder in staatsobligaties. Dit had een negatief effect op het rendement van staatsobligaties. Daarnaast heeft het fonds de renteafdekking op een ongunstig moment opgehoogd. 

In de categorie zakelijke waarden presteerden vooral aandelen goed. Met name de beleggingen in de Verenigde Staten vielen hierbij positief op. De afwijkingen van de benchmark voor aandelen waren minimaal. 

De beleggingen in grondstoffen presteerden in absolute termen in 2024 positief maar bleven wel achter op de benchmark. Het ontbreken van enkele goed renderende grondstoffen in de meest actieve strategie zorgde voor een lager rendement dan de benchmark. 

Vastgoed had over 2024 een positief rendement. Vooral de beleggingen in niet-beursgenoteerd vastgoed rendeerden sterk positief.

Beleggingen in beursgenoteerd vastgoed presteerden negatief. De resultaten van vastgoed lagen in 2024 boven de benchmark. Per saldo resulteerde op de totale beleggingsportefeuille een absoluut rendement van 11,7% en een relatieve underperformance van 1,6%. Het absolute rendement is berekend na aftrek van de kosten van vermogensbeheer en zonder de kosten die doorbelast worden vanuit pensioenbeheer. Indien ook deze kosten in mindering worden gebracht is het rendement 11,6%.

Performance

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Realisatie Benchmark
Vastrentende waarden portefeuille 0,5% 4,8%
Zakelijke waarden portefeuille 20,1% 20,0%
Totaal 11,7% 13,3%

Performance zakelijkewaarden-portefeuille

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Realisatie Benchmark
Aandelen 24,9% 24,5%
Grondstoffen 9,1% 12,4%
Vastgoedfondsen 4,7% 4,0%
Valutaderivaten -1,2% -1,2%

5.2 Beleggingsbeleid

Het strategische beleggingsbeleid gedurende 2024 is op hoofdlijnen gelijk gebleven aan het beleid in 2023. Het fonds hanteert een passieve beleggingsstijl. Het grootste deel van de portefeuille wordt belegd in producten die een benchmark zo goed mogelijk volgen. Het vaststellen van de strategische assetallocatie (SAA) is daarmee de belangrijkste keuze ten aanzien van het rendement en het risico van het fonds. De keuze voor de SAA is gebaseerd op de risicohouding van het fonds. Het beperken van het risico is nodig om de huidige opgebouwde rechten en pensioenen zo goed mogelijk te beschermen (doelstelling 1). Om op termijn koopkracht te behouden (doelstelling 2) is het nodig om extra rendement te behalen en daardoor is het nodig om beperkte risico’s te nemen. De afweging tussen rendement en risico wordt gemaakt in een ALM-studie. In 2022 heeft het fonds een uitgebreide ALM-studie uitgevoerd. Geconcludeerd is dat de bestaande SAA nog steeds de best passende is voor het fonds. Elk kwartaal doet het fonds een macro-economische verkenning en beoordeelt het fonds of de gehanteerde ALM-uitgangspunten nog passend zijn.

Een gebalanceerde afweging tussen het behalen van rendement en het inbouwen van zekerheid heeft dus geresulteerd in de huidige SAA. Ongeveer twee derde van de portefeuille wordt ingezet voor het halen van rendement. Dit gedeelte van de portefeuille noemen we de zakelijkewaardenportefeuille. Deze portefeuille is erop gericht om voldoende rendement te realiseren om te kunnen herstellen van tegenvallers en om op termijn de (toekomstige) pensioenen te kunnen laten stijgen met de inflatie.

Het resterende deel van de beleggingen wordt gebruikt om de huidige hoogte van de (toekomstige) pensioenen met een grote mate van zekerheid te kunnen vasthouden, ofwel het behalen van doelstelling 1. De waarde van dit gedeelte van de portefeuille beweegt gecontroleerd mee met de waarde van de verplichtingen, die sterk afhankelijk is van schommelingen in de rente. Dit gedeelte van de portefeuille noemen we de vastrentendewaardenportefeuille. Onder andere het afdekken van het renterisico vindt met dit deel van de beleggingen plaats. 

De waarde van de verplichtingen van het fonds is gevoelig voor een renteverandering. De verplichtingen van het fonds zijn alle naar verwachting uit te keren pensioenen in de nabije en de verre toekomst. Deze verplichtingen worden daarbij naar het heden teruggerekend op basis van de huidige rente. Bij een lagere rente neemt de waarde van de verplichtingen toe en bij een hogere rente neemt de waarde van de verplichtingen af. Een deel van de beleggingen stijgt ook in waarde bij een dalende rente en daalt in waarde bij een stijgende rente. Daarmee volgt dit gedeelte van de beleggingen de waarde van de verplichtingen.

Het renteafdekpercentage geeft aan voor welk percentage het renterisico van de verplichtingen afgedekt is. Het fonds hanteert hiervoor een dynamische rentestaffel. Het uitgangspunt hierbij is: bij een lage rente minder afdekken, bij een hoge rente meer afdekken. De achterliggende gedachte is dat er bij een zeer lage rente een groter potentieel is om te stijgen dan om te dalen. Om het renterisico ook bij lage rentestanden op een acceptabel niveau te houden is de dynamische rentestaffel zo ingericht dat het renteafdekpercentage minimaal 30% is. Voor het beschermen van de dekkingsgraad in de periode tot de transitiedatum, als waarborging voor het behalen van de transitiedoelstellingen bij de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel, heeft het bestuur eind 2024 besloten de renteafdekking te verhogen naar minimaal 75% van de verplichtingen. De dynamische rentestaffel is hierop aangepast.   

Het renterisico kan via verschillende soorten beleggingen beheerst worden. Het fonds gebruikt hiervoor staats(gerelateerde) obligaties en covered bonds, kredietobligaties, hypotheken en rentederivaten. Het verlagen van een risico (in dit geval het renterisico) resulteert echter vaak in andere risico’s. Het beleggen in staatsobligaties betekent dat het vermogen van het fonds gevoelig wordt voor een andere rente dan de rente waarmee de verplichtingen worden bepaald. De rente op staatsobligaties is namelijk een andere rente dan de rekenrente die pensioenfondsen moeten hanteren voor de waardering van de pensioenverplichtingen. De rekenrente voor de waardering van de pensioenverplichtingen is gebaseerd op de UFR-curve (Ultimate Forward Rate). Afdekking van de hiermee samenhangende renterisico’s kan het meest nauwkeurig worden uitgevoerd met renteswaps. Door de afwijking van het rendement van obligaties van het rendement van renteswaps ontstaat een spreadrisico. Bij het afdekken met renteswaps ontstaat weer een liquiditeitsrisico.

Het fonds staat niet alleen bloot aan het renterisico. In hoofdstuk 4 wordt in meer detail aandacht gegeven aan de risico’s en de monitoring van alle risico’s. Het beleggingsbeleid is zodanig ingericht dat het totale risico acceptabel blijft bij een zo hoog mogelijk rendement. Een belangrijke maatregel om een gunstige verhouding tussen risico en rendement te realiseren is het spreiden van het risico in de beleggingen. Het fonds belegt daarom in verschillende beleggingscategorieën zoals aandelen, grondstoffen, vastgoed, obligaties en hypotheken die ieder voor zich anders reageren op marktontwikkelingen. Ook binnen iedere beleggingscategorie wordt gespreid belegd. Zo geldt bij aandelen dat er wereldwijd belegd wordt en dat er in bedrijven in verschillende sectoren belegd wordt.

Het fonds erkent dat er ook extreme schokken kunnen optreden in de markt, zoals extreme wijzigingen in het niveau van rente en/of waarde van aandelen. Om de negatieve impact van de extreme situaties te beperken heeft het bestuur een pijngrensbeleid gedefinieerd. Onder de pijngrens dreigt het korten van rechten en het niet meer kunnen voldoen aan doelstelling 1. Met het pijngrensbeleid moet zo goed als mogelijk voorkomen worden dat de dekkingsgraad bij het optreden van een extreem scenario onder de pijngrens komt. Het fonds koopt voor deze bescherming swaptions en/of aandelenopties. De swaptions geven bescherming tegen de gevolgen van een snelle, extreme rentedaling. De aandelenopties beschermen tegen grote koersdalingen van de aandelenportefeuille. Het door het fonds gehanteerde extreme scenario is een aandelenschok van -30% en/of een parallelle renteschok van -100 basispunten. Het fonds hanteert een maximaal budget dat besteed mag worden aan het pijngrensbeleid. Het is belangrijk te beseffen dat hierdoor niet alle marktschokken opgevangen kunnen worden. Het fonds accepteert dit restrisico. In het beleid is een beoordeling van de effectiviteit van de pijngrensmiddelen opgenomen. In extreem volatiele markten kunnen opties en swaptions relatief veel geld kosten ten opzichte van de bescherming die ze bieden. Het inzetten van de beschermingsmiddelen is dan niet effectief en daarom kan op zo’n moment worden afgezien van het inzetten van dit beschermingsmiddel. In 2019 en 2020 heeft het pijngrensbeleid bij extreme marktschokken zijn nut bewezen. Vanwege een relatief hoge dekkingsgraad heeft het fonds in 2024 geen transacties uit hoofde van het pijngrensbeleid hoeven uit te voeren.

5.3 Samenstelling beleggingsportefeuille

Algemeen

Alle beleggingen zoals vermeld in dit hoofdstuk zijn gewaardeerd tegen de marktwaarde ultimo 2024 en zijn inclusief te vorderen interest, dividendbelasting en af te wikkelen transacties. Voor op de beurs verhandelde effecten geldt dat de marktwaarde gelijk is aan de beurskoers. Voor beleggingen waarvoor geen of geen actuele beurskoers beschikbaar is, wordt de zogenoemde “net asset value” (NAV) volgens opgave van de vermogensbeheerder of een waardering volgens een algemeen geaccepteerd model als indicatie gebruikt voor de bepaling van de marktwaarde. Wat betreft de beleggingsportefeuille wordt er gewerkt met een structuur, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen een vastrentendewaardenportefeuille en een zakelijkewaardenportefeuille.

Verhouding vastrentende en zakelijke waarden

(in procenten)

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Vastrentende en zakelijke waarden verhouding
Zakelijke waarden  1.485 
Vastrentende waarden  807 

Vastrentendewaardenportefeuille

(bedragen in miljoen €)

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Vastrentende waarden
Obligaties 659
Hypotheken 122
Liquiditeiten 108
Derivaten -81

Zakelijkewaardenportefeuille

(bedragen in miljoen €)

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  Zakelijke waarden portefeuille
Aandelen 1132
Vastgoed 219
Grondstoffen 150
Derivaten -15

De vastrentendewaardenportefeuille bestaat uit staats(-gerelateerde) obligaties en covered bonds, hypotheekbeleggingen en kredietobligaties aangevuld met renteswaps. 

De zakelijkewaardenportefeuille bestaat uit aandelen, onroerend goed en grondstoffen. In onderstaande tabel en toelichting wordt beschreven hoe de indeling van het belegd vermogen van het fonds aansluit op de RJ610 indeling in de jaarrekening. 

Overzicht belegd vermogen voor risico pensioenfonds

(in miljoen euro)

  Stand RJ610 Verschil 2024 2023
    % Norm % Norm
Vastrentende waarden                
Staatsobligaties, credits en Floating Rate Notes  817,0   -158,3   658,7   28,8   26,0   546,3   26,7   26,0 
Hypotheken  121,8   -0,0   121,8   5,3   6,5   98,0   4,8   6,5 
Liquiditeiten/Money Market Funds  101,0   7,2   108,2   4,7   2,5   134,0   6,5   2,5 
                 
Vastrentende waarden ex overlay  1.039,8   -151,1   888,7   38,8   35,0   778,3   38,0   35,0 
                 
Overlay bij Vastrentende waarden                
Swaps/swaptions  -81,9   0,0   -81,9   -3,6     -72,1   -3,5   
Totaal Overlay  -81,9   0,0   -81,9   -3,6     -72,1   -3,5   
Totaal incl. overlay  957,9   -151,1   806,8   35,2     706,2   34,5   
                 
Zakelijke waarden                
Onroerend goed  242,0   -22,9   219,1   9,6   10,0   212,0   10,3   10,0 
Aandelen  1.107,7   24,4   1.132,1   49,4   47,5   985,3   48,1   47,5 
Grondstoffen  -   149,7   149,7   6,5   7,5   137,1   6,7   7,5 
Zakelijke waarden ex overlay  1.349,7   151,2   1.500,9   65,5   65,0   1.334,4   65,1   65,0 
                 
Overlay bij Zakelijke waarden                
Aandelenopties  0,0   -0,0   0,0       0,0     
Grondstoffenderivaten  -0,0   0,0   0,0       0,0     
Valutaderivaten  -15,3   0,0   -15,3   -0,7     8,6   0,4   
Totaal Overlay  -15,3   0,0   -15,3   -0,7     8,6   0,4   
                 
Totaal incl. overlay  1.334,4   151,2   1.485,6   64,8   65,0   1.343,0   65,5   65,0 
                 
Totaal  2.292,3   -0,0   2.292,3   100,0   100,0   2.049,2   100,0   100,0 

Toelichting bij de tabel

De indeling van de beleggingen in bovenstaande tabel is vormgegeven conform het beleggingsbeleid van het fonds. De indeling is uitgebreider dan de verplichte indeling in de jaarrekening (RJ610 indeling). In de kolom “Verschil” wordt het rubriceringsverschil aangegeven tussen de standen van ultimo 2024 op basis van RJ610 indeling en de indeling zoals het fonds die hanteert. De grootste verschillen zijn herleidbaar naar de rubricering van hypotheken en grondstoffen. De belegging in hypotheken bij DMFCO is in bovenstaande tabel gerubriceerd van vastrentend naar hypotheken. De belegging zoals door het fonds ingedeeld onder grondstoffen is volgens de RJ610 in de jaarrekening ingedeeld bij zowel vastrentende waarden als bij derivaten. Het betreft hier het onderpand in US Treasury’s en de nog af te wikkelen derivaten transacties.

In de navolgende paragraaf “afdekking van financiële risico’s” wordt de onderliggende blootstelling aan valuta in detail weergegeven. Evenals ultimo 2023 zijn de wegingen ultimo 2024 op basis van de marktwaarde van de beleggingen in lijn met de strategische beleggingsmix. De wegingen van de strategische beleggingsmix zijn in 2024 ten opzichte van 2023 niet gewijzigd. 

Aandelen

Over geheel 2024 heeft het fonds de aandelenportefeuille belegd via een eigen mandaat door een externe beheerder. Gedurende 2024 is de totale aandelenportefeuille met € 147 miljoen in waarde toegenomen tot € 1.132 miljoen per eind 2024. Om binnen de strategische bandbreedte te blijven heeft het fonds gedurende 2024 per saldo voor € 90 miljoen aan aandelen verkocht.

Regionale verdeling aandelen

(in procenten)

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  In mln. €
Europa 188
Verenigde Staten 706
Canada 46
Japan 66
Rest Verre Oosten 38
Opkomende markt 88

Regionale verdeling aandelen

(bedragen in miljoen €)

  Marktwaarde
aandelen
ultimo 2024
Marktwaarde
aandelen
ultimo 2023
  In mln. € In % In mln. € In %
Europa 188 17% 182 18%
Verenigde Staten 706 62% 555 56%
Canada 46 4% 38 4%
Japan 66 6% 66 7%
Rest Verre Oosten 38 3% 62 6%
Opkomende markt 88 8% 82 8%
Totaal  1.132  100% 985 100%

Vastgoedfondsen

Ultimo 2024 is er voor € 219 miljoen belegd in vastgoedfondsen. Dit is een toename van € 7 miljoen ten opzichte van de stand ultimo 2023. Ongeveer 50% van de vastgoedportefeuille is belegd in beursgenoteerde vastgoedfondsen en ongeveer 50% is belegd in niet-beursgenoteerde vastgoedfondsen. Niet-beursgenoteerd vastgoed rendeerde in 2024 positief, beursgenoteerd vastgoed rendeerde juist negatief. Per saldo was het rendement positief. Het fonds heeft in 2024 geen transacties uitgevoerd in onroerend goed.

Grondstoffen

Ultimo 2024 is er voor € 150 miljoen belegd in grondstoffen middels zogeheten ‘total return swaps’. Dit zijn derivaten die ervoor zorgen dat een hoofdsom de rendementsontwikkelingen van een aantal grondstoffenmarkten volgt, zonder dat daarbij de grondstoffen fysiek worden aangehouden. De bij de swaps behorende onderliggende waarden zijn US Treasury Bills met een maximale looptijd van 1 jaar. Ten opzichte van de stand per ultimo 2022 is de waarde van deze portefeuille met € 13 miljoen toegenomen. In 2024 heeft het fonds geen transacties uitgevoerd in deze categorie van de beleggingsportefeuille. 

Vastrentende waarden

Gedurende 2024 is de totale vastrentendewaardenportefeuille met € 137 miljoen in waarde toegenomen tot € 781 miljoen. Hiervan is € 519 miljoen belegd in staats(gerelateerde) obligaties en covered bonds en € 140 miljoen in kredietobligaties. Verder is € 122 miljoen in hypotheken belegd. De spreiding ultimo 2024 over staats(gerelateerde) obligaties, hypotheken en kredietobligaties is niet in lijn met de strategische mix die voorschrijft dat 60% belegd is in staats(gerelateerde) obligaties en covered bonds, 20% in hypotheken en 20% in kredietobligaties. In 2024 heeft het fonds voor € 15 miljoen kredietobligaties bijgekocht. In 2024 is een herbalanceringsorder uitgevoerd van resterend € 18 miljoen om extra hypotheken bij te kopen. Gedurende 2024 is niet volledig in lijn met de strategische mix belegd, maar wel binnen de bovenliggende norm (vastrentende waarde). 

Verdeling vastrentende waarden

Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:

  € miljoen (incl.
opgelopen rente)
Staats(gerelateerde) obligaties en covered bonds 519
Hypotheken 122
Kredietobligaties 140
  Marktwaarde
in 2024
Marktwaarde
in 2023
  € miljoen (incl.
opgelopen rente)
In % van totaal € miljoen (incl.
opgelopen rente)
In % van totaal
Staats(gerelateerde) obligaties en covered bonds 519 66% 430 67%
Hypotheken 122 16% 98 15%
Kredietobligaties 140 18% 116 18%
Totaal 781 100% 644 100%
         

Liquide middelen

Ultimo 2024 is door het fonds voor € 108 miljoen aangehouden als liquide middelen. Dit betekent een daling van € 26 miljoen ten opzichte van het jaar daarvoor. Een gedeelte wordt aangehouden als onderpand voor derivaten. Een ander gedeelte wordt aangehouden als alternatief voor kortlopende obligaties.

5.4 Afdekking van financiële risico’s

Valutarisico’s

Beleggingen in aandelen, vastgoedfondsen en grondstoffen vinden ook buiten het eurogebied plaats. De voornaamste valutarisico’s zijn in US Dollars, Japanse Yen en Britse Pond. Door middel van valutaderivaten wordt het valutarisico in US Dollars, Japanse Yen en Britse Pond voor 50% afgedekt. Uit oogpunt van risico, rendement en kosten is voor zakelijke waarden een valuta-afdekking van circa 50% optimaal. De overige valutarisico’s worden niet afgedekt omdat dit niet kostenefficiënt mogelijk is. Vanwege redenen van diversificatie wordt het valutarisico van de grondstoffenportefeuille ook niet afgedekt.

Renterisico’s

Het fonds heeft ook in 2024 gebruikgemaakt van rentederivaten. Een groot deel van de rentederivaten bestaat uit renteswaps met per ultimo 2024 een marktwaarde van € 82 miljoen negatief. Het doel van deze derivaten is het nominale renterisico van de verplichtingen aanvullend af te dekken boven op de reeds bestaande renteafdekking d.m.v. obligaties en hypotheken. Het fonds heeft ultimo 2024 geen rentederivaat met een voorwaardelijk karakter in positie om het proces van periodieke herbalancering te vereenvoudigen. Het fonds heeft ultimo 2024 geen gekochte swaptions in positie in het kader van het pijngrensbeleid. 

  Feitelijke afdekking voor de gevolgen van rente-daling in % van de TV* Afdekking voor de gevolgen van een extreme rentedaling (min 1%-punt) in % van de TV* Totale afdekking
Renteafdekking door obligaties en rentederivaten
Nominale obligaties en hypotheken 26%   26%
Swaps 49% 0% 49%
Swaptions 0% 0% 0%
Totaal 75% 0% 75%

Beleggingen in staats(gerelateerde) obligaties, covered bonds, kredietobligaties en hypotheken beschermen het fonds tegen de gevolgen van een rentedaling. Ultimo 2024 was op die manier ongeveer 26% van het renterisico van de verplichtingen afgedekt. Posities in renteswaps vullen de renteafdekking op jaareinde aan tot het strategisch niveau van 75%. Er zijn geen geschreven swaptions in positie op jaareinde.

Het fonds heeft gedurende 2024 geen posities gehad in gekochte swaptions in het kader van het pijngrensbeleid. Deze posities beschermen het fonds bij een extreme rentedaling, maar aankoop was volgens beleid niet aan de orde. Inzet van gekochte swaptions heeft als voordeel dat een goede bescherming tegen de gevolgen van een sterke rentedaling wordt geboden, terwijl het opwaartse potentieel bij een rentestijging behouden blijft en er dan geen liquiditeitsrisico ontstaat.

In 2024 zijn wel swaptions verkocht. Deze posities leiden tot extra renteafdekking door het aankopen van een swap indien de rente stijgt en tot minder renteafdekking door het verkopen van een swap indien de rente daalt. Door het verkopen van swaptions wordt het proces van renteafdekking via de dynamische rentestaffel gestroomlijnd. In 2024 zijn twee swaptions verkocht voor een premie van in totaal € 2,7 miljoen.

Aandelenrisico’s

Het fonds heeft in 2024 geen gebruik gemaakt van aandelenderivaten. In het kader van het pijngrensbeleid was aankoop van posities in aandelen putopties niet aan de orde.

5.5 Maatschappelijk verantwoord beleggen

Algemeen

Het fonds belegt met het oog op de lange termijn, ten behoeve van de toekomstige uitkeringen aan aanspraak- en pensioengerechtigden. Het bestuur vult deze verantwoordelijkheid in op basis van risico-rendement-afwegingen in lijn met de doelstellingen van het fonds. Integraal onderdeel van deze verantwoordelijkheid is het rekening houden met de specifieke risico’s en kansen van milieu, sociale en bestuurlijke aspecten, ook wel aangeduid als ESG (Environmental, Social en Governance). Hierbij valt te denken aan drie (soms overlappende) terreinen waarop ESG‑overwegingen een rol kunnen spelen in het beleggingsbeleid:

  • ESG‑factoren hebben een impact op de financiële resultaten en risico’s van het fonds. Bepaalde investeringen kunnen vanwege klimaatverandering bijvoorbeeld te risicovol worden om in de beleggingsportefeuille op te nemen. Andere kunnen juist kansen bieden.
  • Daarnaast kunnen ESG‑factoren een rol spelen bij het managen van niet-financiële risico’s zoals het imago van het fonds.  Hierbij valt te denken aan beleggingen in controversiële wapens of kinderarbeid.
  • Ten slotte kunnen deelnemers specifieke voorkeuren hebben op het terrein van ESG, waarbij zij bereid zijn om rendement op te geven (of risico te verhogen) met het doel om een positieve impact op onze leefomgeving te bereiken.

Het fonds heeft het ESG‑beleid primair vormgegeven vanuit een risico-rendementsgedachte, de eerste twee bovengenoemde terreinen. Het fonds is echter ook stappen aan het zetten op het derde bovengenoemde terrein. Begin 2023 heeft het fonds een uitvraag onder de deelnemers gehouden, mede om hierover een beeld te vormen. Het ESG‑beleid is tot stand gekomen op basis van al deze elementen.

Verder heeft het bij de huidige invulling van het ESG-beleid een rol gespeeld dat de wereld van ESG-management, wet- en regelgeving, de beschikbaarheid van goede meetdata en beleggingsproducten continu in ontwikkeling zijn. Het fonds wil hierbij weloverwogen te werk gaan met het ons toevertrouwd vermogen. Dit houdt in dat we stap voor stap willen leren en verbeteren en met de markt meegroeien wat betreft ESG-inrichting van de portfolio. Hierbij houden we ook rekening met de belasting en kosten voor het bestuursbureau. Dit houdt in dat wij als fonds met ons ESG-beleid niet voorop zullen lopen, maar met de markt meebewegen. 

Onder de Overige gegevens in dit jaarverslag is de bijlage Annex IV opgenomen waarin informatie staat over de E/S kenmerken. 

ESGwensen van de deelnemers

Begin 2023 heeft het fonds een deelnemersonderzoek gedaan naar de houding van de deelnemers ten opzichte van maatschappelijk verantwoord beleggen. Ruim één derde van de actieven en één derde van de gepensioneerden hebben hierop gereageerd. Het bleek dat de meningen over maatschappelijk verantwoord beleggen uiteenlopen. Sommige deelnemers vinden dat het fonds verantwoord moet beleggen, ook als dat minder rendement oplevert. Anderen vinden dat maatschappelijk verantwoord beleggen niet ten koste mag gaan van een positieve uitkomst.

Over het algemeen vinden deelnemers het belangrijker om goed gedrag aan te moedigen, dan om slecht gedrag te vermijden. Niet iedereen wil investeren in fossiele energie. Maar als er toch in fossiele energie wordt belegd, dan geven deelnemers regelmatig aan dat ze willen dat het geld gaat naar bedrijven die laten zien dat ze goede stappen zetten in de energietransitie.

ESGuitgangspunten

Het fonds heeft in 2022 ter voorbereiding op de her-uitbesteding van de aandelenportefeuille een aantal ESG‑gerelateerde overtuigingen vastgelegd. Deze zijn als volgt:

  • Het fonds geeft actief invulling aan de maatschappelijke rol die het als institutionele belegger kan spelen via het ESG-beleid. Het ESG-beleid past bij de deelnemerspreferenties en maatschappelijke eisen, waarbij wij streven naar een positieve maatschappelijke impact, binnen de risico-rendementskaders van het beleggingsbeleid.
  • Het fonds is ervan overtuigd dat ESG-integratie (meewegen van duurzaamheidskenmerken) op lange termijn leidt tot een verbetering van het risico-/rendementsprofiel van de beleggingsportefeuille. Bij het toepassen van ESG-integratie in de beleggingsportefeuille kijkt het fonds kritisch naar de kwaliteit van de data en research die hieraan ten grondslag ligt.
  • Het fonds vindt dat de inzet van een stem- en engagementbeleid met name effectief zal zijn wanneer dit in collectief verband wordt gedaan. Daarom wenst het voor de beïnvloeding van ondernemingen waarin het belegt, aan te sluiten bij breed gedragen initiatieven van andere institutionele beleggers.
  • Bij de selectie van nieuwe beleggingsvormen zijn ESG-aspecten een belangrijk criterium voor het bestuur. Het bestuur geeft duidelijke ESG-kaders mee bij de zoektocht naar nieuwe beleggingsvormen, maar geeft ook andere aspecten, waaronder kosten & rendementsverwachtingen in de besluitvorming een plek.
  • Het fonds heeft de overtuiging dat het meegeven van ESG-doelstellingen aan aangestelde managers het ESG-beleid versterkt. Het fonds wenst in relevante delen van de beleggingsportefeuille te sturen op ESG-kenmerken, ter optimalisatie van het risico-/rendementsprofiel van de beleggingsportefeuille. Hierbij richt het bestuur zich primair op verbetering van het brede duurzaamheidsprofiel (milieu, sociaal en governance factoren) en secundair op het terugbrengen van de CO2-uitstoot. 
  • Het fonds ziet klimaatverandering als één van de belangrijkste duurzaamheidsthema’s voor de beleggingsportefeuille. Het fonds wil echter niet op voorhand CO2-intensieve sectoren uitsluiten, maar wenst door middel van bovengenoemde manieren van stimulering – door belegd te blijven – een bijdrage te leveren aan de transitie naar een CO2-arme maatschappij.

Op basis van het bovenstaande heeft het bestuur de volgende beleidselementen gedefinieerd:

  • Niet vooroplopen, maar zeker ook niet achteraan.
  • Stap voor stap de portefeuille blijven verbeteren. Focus eerst op elementen die meeste impact hebben en focus in eerste instantie op financiële en niet-financiële ESG‑risico’s. Het fonds wil hierbij gebruikmaken van de instrumenten insluiten, uitsluiten en - indien relevant - stemmen. 
  • Slechts zeer beperkt actief kosten maken om met een positieve impact de leefomgeving te beïnvloeden. Dus ook zeer beperkt gebruikmaken van het instrument engagement. In collectief verband heeft dit instrument nog het meeste effect. Daarom bij eventuele beïnvloeding van ondernemingen waarin het belegt aansluiten bij initiatieven van andere institutionele beleggers.
  • Het fonds classificeert de pensioenregeling als een pensioenproduct conform artikel 8 onder de SFDR, maar wil zich nog niet committeren aan artikel 4 van de SFDR, vanwege de onzekere omvang en impact van rapportageverplichtingen.
    • Het fonds vindt het belangrijk dat de externe vermogensbeheerders de algemene duurzaamheidsprincipes onderschrijven. Dit betreft de algemene duurzaamheidsprincipes van UNPRI (United Nations Principles for Responsible Investment), UN Global Compact, OESO-richtlijnen en UNGP’s (UN Guiding Principles).
  • Het fonds deelt de OESO-richtlijnen en leeft de UNGP’s na, zoals beschreven in het IMVB-convenant (Internationaal Maatschappelijk Verantwoord Beleggen), “brede spoor” variant van de Pensioenfederatie, maar wil zich nog niet committeren vanwege onzekere omvang en impact van rapportageverplichtingen.
  • Om dit te bewerkstelligen neemt het fonds maatregelen om ervoor te zorgen dat externe dienstverleners dit beleid toepassen. Deze maatregelen hebben betrekking op de uitbesteding zelf, de monitoring van de uitbestede werkzaamheden en op de rapportages van de externe dienstverleners.
  • Bij (her-)uitbestedingen zullen ESG-elementen een centrale plaats krijgen, waarbij specifieke doelstellingen zullen worden geformuleerd in de search.
  • Het fonds zal in investmentcases per beleggingscategorie beschrijven welke ESG‑risico’s het fonds ziet en welke ESG‑elementen zijn opgenomen. ESG is expliciet opgenomen als één van de zeven investment beliefs.

Op basis van bovenstaande uitgangspunten is de invulling van het beleid per beleggingscategorie als volgt uitgewerkt.

Aandelen

Wat betreft de aandelenbeleggingen heeft het fonds eind 2023 de overstap gemaakt van ESG-indexfondsen van BlackRock naar een separaat aandelenmandaat, beheerd door State Street. Het fonds belegt nu in een separaat aandelenmandaat conform een voor het fonds op maat gemaakte MSCI All Country World Index Climate Transition Benchmark met een ESG+20% uplift en uitsluitingen. Het fonds streeft een CO2-uitstoot na van de bedrijven waarin het belegt van -30% ten opzichte van de reguliere ACWI benchmark. Verder streeft het fonds via de Climate Transition Benchmark een jaar-op-jaar daling van de CO2 uitstoot van -7% na. Dit alles gebaseerd op insluitingen van de op dit gebied beter presterende bedrijven met relatief hoge scores op het gebied van ESG. Het fonds kijkt hierbij naar de ESG-score van MSCI. MSCI beoordeelt bedrijven op basis van hun beleid en prestaties op het gebied van ESG-factoren. Het fonds streeft een 20% hogere ESG-score dan de grijze MSCI aandelenwereldindex na. Het fonds heeft de benchmark door MSCI volledig op maat laten maken door het toepassen van extra uitsluitingen. Dit op basis van het uitsluitingsbeleid van het fonds. Ten slotte stemt het fonds in de aandeelhoudersvergaderingen van de aandelen waarin het belegt in lijn met het ESG- beleid.

Vastrentende waarden

Bij de vastrentende waarden geldt dat bij de beleggingen in kredietobligaties sinds 2013 gebruik wordt gemaakt van een apart obligatiefonds waarin zaken zoals controversiële wapens en kinderarbeid zijn uitgesloten. Bij de belegging in staats(gerelateerde) obligaties wordt een ESG landenlijst gehanteerd. Indien dit economisch opportuun is belegt het fonds ook in staatsobligaties met een ESG‑karakter. Er kan onderscheid worden gemaakt tussen:

  • Green bonds: de opbrengsten worden uitsluitend gebruikt om groene projecten met een positieve bijdrage aan het milieu te financieren, zoals bijvoorbeeld investeringen in duurzame energie;
  • Social Bonds: de opbrengsten worden uitsluitend gebruikt om sociale projecten met een positieve bijdragen aan de gemeenschap, zoals investeringen in de aanbouw van woningen voor personen met afstand tot de woningmarkt;
  • Blue bonds: de opbrengsten worden uitsluitend gebruikt om water gerelateerde uitdagingen aan te pakken, zoals investeringen om duurzame visserij verder te ontwikkelen;
  • Sustainable bonds: de opbrengsten worden gebruikt om projecten te financieren in een combinatie van de bovenstaande categorieën.

Of een obligatie in aanmerking komt voor één van de bovenstaande classificaties wordt bepaald op basis van de EU Taxonomy. Het fonds heeft op 31 december 2024 belegd in 67 Europese staats(gerelateerde) obligaties en covered bonds. De beleggingen in staatsgerelateerde obligaties bestaan voor 17% uit green bonds, voor 1% uit social bonds en voor 5% uit sustainable bonds.

Via de hypothekenportefeuille moedigt het fonds verduurzaming van woningen aan door de mogelijkheid te bieden om energiebesparende maatregelen tot 6% boven de maximale hypotheek mee te financieren. Op 31 december 2024 behoort 28% van de woningen gefinancierd door de door ons verstrekte hypotheken tot de 15% meest energiezuinige woningen van Nederland met energielabel A en beter. Voor vastrentende waarden is stembeleid en stemgedrag niet van toepassing.

Grondstoffen

De belegging in grondstoffen vindt plaats via derivaten gerelateerd aan de goederentermijnmarkten. Ook hier is stembeleid niet van toepassing. 

Vastgoed

De vastgoedbeleggingen worden gehouden in beursgenoteerde- en in niet-beursgenoteerde beleggingsfondsen. Van deze laatste categorie worden de aandeelhoudersvergaderingen actief bezocht door adviseur Finance Ideas. Door middel van dit ‘actief aandeelhouderschap’ worden fondsbeheerders uitgedaagd om, voor zover dat nog niet aanwezig is, te komen tot een scherp gedefinieerd duurzaamheidsbeleid en deel te nemen aan GRESB (Global Real Estate Sustainability Benchmark). GRESB is een onafhankelijke wetenschappelijke benchmark die het duurzaamheidbeleid van vastgoedfondsen en –portefeuilles wereldwijd beoordeelt. Het fonds vindt een goede score op deze benchmark belangrijk. De drie woningfondsen behaalden afgelopen jaar de volgende scores (max. 100)

  1. Altera Residential Fund: 93
  2. Achmea Residential Fund: 91
  3. CBRE Dutch Residential Fund: 90

De GRESB benchmark per eind 2024 bedraagt 88. De drie fondsen behalen met hun relatief goede score de “Green Star”. Indien een woningfonds deze niet behaalt zal het fonds om een plan vragen om deze binnen 2 jaar wel te behalen. Het Altera Residential Fund is met deze score het leidende niet-beursgenoteerde woningfonds in Nederland.  

DWS beheert het beursgenoteerd vastgoed. Het fonds heeft met DWS afspraken gemaakt over stembeleid en stemgedrag zodat DWS in lijn stemt met het beleid van het fonds.