Integraal risicomanagement
Integraal risicomanagement (IRM) is een belangrijke factor om de doelstellingen van het fonds te verwezenlijken. Het bewust omgaan met en beheersen van risico’s, op basis van de vastgestelde risicohouding en risicobereidheid, maakt onderdeel uit van de pensioenfondsprocessen.
Dit hoofdstuk beschrijft eerst de governance van het risicomanagement bij het fonds. Daarna volgt een algemene beschrijving van het risicomanagementsysteem van het fonds, gevolgd door een beschrijving van de belangrijkste strategische risico’s. Dit hoofdstuk wordt afgesloten met een risicobeeld van het fonds en een beschrijving van de ontwikkelingen in het afgelopen jaar.
4.1 Governance
Risicomanagement maakt integraal onderdeel uit van de besluitvorming van het bestuur. Het bestuur is verantwoordelijk voor het vaststellen, uitvoeren en monitoren van het risicobeleid. Hierbij wordt het bestuur ondersteund door externe adviseurs en het bestuursbureau. Het fonds hanteert voor de verdeling van de verantwoordelijkheden bij de risicobeheersing als basis het ‘Three Lines’ model. Daarnaast kent het fonds een vierde lijn in de vorm van de Raad van Toezicht. De vijfde lijn wordt gevormd door de toezichthouders, accountant en certificerend actuaris. Hieronder worden deze verschillende beschermingslagen beschreven.
De eerste lijn
Adviserend aan en beleidsvoorbereidend voor het bestuur zijn de beleggingsadviescommissie, de pensioen- en communicatiecommissie en de risk- en compliancecommissie. Binnen deze commissies komen beleidsvoorstellen en adviezen tot stand, die vervolgens ter besluitvorming worden voorgelegd aan het bestuur. De commissies nemen daarom in beginsel zelf geen besluiten; besluiten worden door het bestuur genomen. Het bestuur en de onderliggende commissies vormen samen met het bestuursbureau de beleidsvormende en uitvoerende (1e-lijns) rol binnen het fonds. Gezamenlijk dragen zij zorg voor de bepaling en uitvoering van afgewogen beleid in het belang van (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden. De borging van het IRM-proces is belegd bij de risk- en compliancecommissie.
De tweede lijn
Het fonds kent 2e-lijns rollen in de vorm van de sleutelfunctie Risicobeheer en de sleutelfunctiehouder Actuarieel. Deze sleutelfuncties worden nader toegelicht in paragraaf 4.1.1 Inrichting sleutelfuncties.
De derde lijn
De sleutelfunctiehouder Interne audit is verantwoordelijk voor de 3e-lijnsfunctie. De sleutelfunctiehouder Interne audit kan steunen op de interne-auditafdeling van Gasunie bij de uitvoering van de audits. De taken en de wijze van invulling van de sleutelfuncties zijn in paragraaf 4.1.1 Inrichting sleutelfuncties nader beschreven.
De vierde lijn
Het bestuur heeft een RvT ingesteld. De leden zijn onafhankelijk en laten dit tot uiting komen in het toezicht. De RvT houdt onder meer toezicht op:
- Het beleid van het bestuur.
- De algemene gang van zaken in het fonds.
- De adequate risicobeheersing.
- De evenwichtige belangenafweging door het bestuur.
Daarnaast fungeert de RvT als gesprekspartner van het bestuur en staat het bestuur met raad ter zijde.
De vijfde lijn
De vijfde lijn wordt gevormd door externe toezichthouders. De Nederlandsche Bank (DNB) houdt prudentieel toezicht op het beleid en de uitvoering daarvan. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) houdt toezicht op de informatie die aan deelnemers wordt verstrekt. De accountant controleert de jaarrekening en bekijkt of het bestuursverslag consistent is met de jaarrekening. De certificerend actuaris beoordeelt en verklaart of de actuariële grondslagen en financiële positie van het fonds voldoen aan de eisen van de pensioenwet, waaronder het financieel toetsingskader.
4.1.1 Inrichting sleutelfuncties
Inleiding
Op grond van de Europese richtlijn voor pensioenfondsen IORP II moet het fonds voldoen aan bepaalde regels voor de governance en het risicobeheer van het fonds. Eén van de organisatorische gevolgen is dat er drie zogeheten sleutelfuncties bestaan. Dat zijn de volgende:
- sleutelfunctie Risicobeheer (2e lijn);
- sleutelfunctie Actuarieel (2e lijn);
- sleutelfunctie Interne audit (3e lijn).
Voor sleutelfunctiehouders gelden de volgende richtlijnen:
- Een sleutelfunctiehouder wordt benoemd door het bestuur en valt onder het toezicht van DNB.
- De sleutelfunctiehouder is eindverantwoordelijk voor de taken behorend tot de functie. De functiehouder mag de uitvoering overlaten aan andere personen.
- De sleutelfunctiehouder rapporteert onafhankelijk aan het bestuur en kan zich rechtstreeks wenden tot de RvT.
- Indien het bestuur aanbevelingen niet (tijdig) opvolgt, escaleert de sleutelfunctiehouder dit naar de RvT en indien daartoe aanleiding bestaat, naar DNB, waarbij het bestuur gelijktijdig wordt geïnformeerd.
Het fonds heeft de sleutelfuncties als volgt ingericht.
Sleutelfunctie Risicobeheer
- Taakgebied:
- Beoordeelt, monitort en rapporteert over het risicobeheer;
- Initieert en adviseert over de vormgeving van het risicobeheer;
- Sleutelfunctiehouder Risicobeheer en uitvoering van de sleutelfunctie Risicobeheer zijn belegd bij een externe deskundige op het gebied van risicobeheer.
Sleutelfunctie Actuarieel
- Taakgebied:
- Houdt toezicht op de berekening van de technische voorzieningen.
- Beoordeelt de betrouwbaarheid en adequaatheid van de berekening van de technische voorzieningen.
- Beoordeelt het premiebeleid, het beleid bij collectieve waardeoverdrachten en de conversiefactoren of inkooptarieven bij het toekennen van (nieuwe) pensioenrechten of -aanspraken.
- Sleutelfunctiehouder en uitvoering van de sleutelfunctie actuarieel zijn belegd bij de certificerend actuaris.
Sleutelfunctie Interne audit
- Taakgebied:
- Evalueert periodiek of de interne controlemechanismen adequaat en doeltreffend zijn.
- Evalueert de inrichting en werking van de (beheersing van de) bedrijfsvoering.
- Draagt eraan bij dat inefficiënties en ‘blinde vlekken’ worden geïdentificeerd en geadresseerd.
- Vormt een onafhankelijke derdelijnsfunctie binnen het stelsel van waarborgen voor een beheerste en integere bedrijfsvoering.
- Sleutelfunctiehouder en uitvoerder van de sleutelfunctie Interne audit zijn belegd bij een externe deskundige op het gebied van interne audit.
4.2 Risico Management Systeem
De basis van de strategische managementcyclus is gebaseerd op vier fundamentele stappen:

Risicohouding
Om de risicohouding van het fonds vast te stellen zijn de individuele risicohoudingen van de bestuursleden geïnventariseerd en bediscussieerd. Vervolgens zijn de individuele risicohoudingen samengebracht tot een gezamenlijke visie en heeft het bestuur gezamenlijk een risicohouding vastgesteld. Deze gezamenlijke risicohouding is “gebalanceerd”: in het bestuur worden er open discussies gevoerd, het bestuur staat open voor innovatie en vernieuwing en is bereid risico te nemen indien daar een passende beloning tegenover staat, behalve op het punt van integriteit en wet- en regelgeving.
Risicotolerantiegrenzen
Voor elk risico heeft het fonds de risicotolerantiegrenzen vastgesteld. Voor zover mogelijk zijn deze tolerantiegrenzen meetbaar (SMART) gemaakt. Indien sprake is van een significante wijziging in het risicoprofiel, zoals bij een wijziging van de pensioenuitvoeringsorganisatie, toetst het bestuur of de nieuwe situatie voldoet aan de risicotolerantie van het fonds.
Vastlegging en monitoring
Het fonds maakt gebruik van een integrale risicomonitor waarin zowel de financiële als de niet-financiële risico’s terugkomen. Met ondersteuning van een externe adviseur rapporteert de sleutelfunctie Risicobeheer met deze integrale risicomonitor op kwartaalbasis aan het bestuur over de beheersing van de in het risicomanagementbeleid vastgestelde strategische risico’s. Deze rapportage heeft specifiek aandacht voor de relatie tussen de risico’s en de strategische doelstellingen. Daarbij vindt een toetsing plaats aan de risicotolerantiegrenzen van het fonds en wordt de werking van de beheersmaatregelen beoordeeld. Ook worden actualiteiten meegenomen die invloed kunnen hebben op het kunnen bereiken van de doelstellingen.
4.3 Concrete risico's
4.3.1 Strategische risico’s
In 2024 heeft het bestuur een reguliere ERB uitgevoerd. In 2025 is aanvullend een tussentijdse ERB uitgevoerd vanwege een significante wijziging in het risicoprofiel als gevolg van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Hierbij zijn de risico’s – waaronder de strategisch relevante risico’s voor zover geraakt door de transitie – en het risicobeheersysteem opnieuw beoordeeld in het licht van de Wtp.
In onderstaande grafiek zijn de strategische risico’s geclassificeerd in een risicodiagram, waarbij geldt:
Groen = laag risico
Geel = gemiddeld risico
Rood = hoog risico.
In het risicodiagram zijn de netto risico’s weergegeven, dus na toepassing van de beheersmaatregelen.
Gevolgen bij optreden risico
Marktrisico
Renterisico
Veranderingen in wet- en regelgeving
Structureel te lage pensioenpremie
Inflatierisico
Liquiditeitsrisico
Onvoldoende duidelijk en begrijpelijk communiceren naar deelnemers over risico’s en wat ze aan pensioen mogen verwachten
Onvoldoende inzicht in processen en kwaliteit bij uitvoerders (uitbestedingsrisico)
IT-risico bij de pensioenuitvoeringsorganisatie (cyberrisico, datalekken, fraude en persoonsgegevens)
Onvoldoende kennis en kunde van bestuur, uitvoerder en/of bestuursbureau waardoor de continuïteit van het fonds in gevaar komt
ESG-factoren
Datakwaliteit
4.4 Risicotolerantiegrenzen en beheersmaatregelen
4.4.1 Inleiding
De risicobereidheid voor de strategische risico’s is gekwantificeerd door het bepalen van risicotolerantiegrenzen. Als het netto risico, dat wil zeggen het risico dat overblijft nadat beheersmaatregelen zijn toegepast, binnen deze grenzen blijft, wordt het geaccepteerd. Als het netto risico buiten deze grenzen komt, moeten (aanvullende) beheersmaatregelen worden getroffen.
In 2025 is het netto risico voor alle strategische risico’s binnen de daarvoor gestelde risicotolerantiegrenzen gebleven. Het bestuur volgt de ontwikkelingen op de geformuleerde strategische risicogebieden en geeft tevens aandacht aan eventuele nieuwe opkomende risico’s. Er wordt doorlopend getoetst of de beheersmaatregelen nog (goed) werken en/of verbeterd kunnen worden. Zo wordt bereikt dat de beheersmaatregelen tijdig worden aangepast en aangescherpt op basis van de actuele stand van zaken op het betreffende risicogebied.
In 2024 heeft het bestuur een reguliere ERB uitgevoerd, die minimaal eens in de drie jaar moet plaatsvinden. Daarbij heeft het bestuur geoordeeld dat het risicomanagementsysteem binnen het fonds voldoende tot sterk is ingericht. In 2025 heeft het bestuur aanvullend een tussentijdse ERB uitgevoerd vanwege een significante wijziging in het risicoprofiel als gevolg van de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. Daarbij zijn de risico’s – waaronder de strategisch relevante risico’s voor zover geraakt door de transitie – en het risicobeheersysteem opnieuw beoordeeld in het licht van de Wtp.
Na beoordeling van het risicomanagementsysteem en de opvolging van eerdere bevindingen heeft de sleutelfunctiehouder Interne audit geconcludeerd dat enkele aandachtspunten verdere uitwerking vereisten. Deze zijn in 2025 opgepakt. De effectiviteit van de maatregelen wordt in 2026 beoordeeld.
In de navolgende paragraaf worden de zes strategische risico’s beschreven die als een gemiddeld risico zijn gekwalificeerd. Daarbij worden de risicotolerantiegrenzen en de belangrijkste beheersmaatregelen toegelicht. Er zijn geen risico’s gekwalificeerd met een hoog netto risico.
4.4.2 Toelichting per strategisch risico
Onderstaand zijn de strategische risico’s toegelicht met een gemiddeld risico na beheersmaatregelen:
1 Marktrisico
Dit is het risico dat de beurskoersen dalen waardoor het beleggingsresultaat van het fonds daalt.
Dit risico kan worden verdeeld in drie onderdelen:
- Prijsvolatiliteit: het risico van winst of verlies als gevolg van wijzigingen in marktprijzen van verhandelbare financiële instrumenten.
- Marktliquiditeit: het risico dat aanwezige activa onvoldoende snel dan wel niet tegen acceptabele prijzen kunnen worden omgezet in liquide middelen.
- Concentratie en correlatie: het risico dat, als gevolg van ontoereikende diversificatie binnen de portefeuille, marktontwikkelingen leiden tot een waardedaling van de portefeuille.
Risicotolerantiegrenzen:
- Voor alle onderdelen:
- De gewichten van de verschillende onderdelen van de portefeuille dienen binnen de grenzen van de strategische assetallocatie te blijven.
- Prijsvolatiliteit:
- De performanceafwijking per beleggingscategorie mag niet te veel afwijken van de benchmark voor de betreffende beleggingscategorie (maximale tracking error).
- Bij een 1% parallelle renteschok en/of een 30% aandelenschok mag de dekkingsgraad niet dalen onder de kritische dekkingsgraad, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in het pijngrensbeleid.
Beheersmaatregelen:
- Algemeen: het periodiek uitvoeren van een ALM-studie om te beoordelen of de gekozen strategische portefeuille nog steeds aansluit bij de gewenste balans tussen risico en rendement.
- Prijsvolatiliteit: bij een aandelenschok van 30% mag de dekkingsgraad niet dalen onder de kritische dekkingsgraad, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in het pijngrensbeleid. Dit wordt voortdurend gemonitord en zo nodig worden risico-afdekkende instrumenten aangekocht.
- Marktliquiditeit: het grootste deel van de portefeuille is liquide. Slechts een klein deel van de portefeuille (niet-beursgenoteerd vastgoed en hypotheken) is weinig liquide.
- Concentratie en correlatie: de beleggingen in aandelen vinden plaats voor bedrijven wereldwijd. Deze spreiding binnen de portefeuille (diversificatie) dempt het prijsrisico.
2 Renterisico
Dit is het risico dat veranderingen in de marktrente gevolgen hebben voor de waardering van de toekomstige verplichtingen van het fonds en op de koersen van beleggingen.
Een renterisico voor het fonds kan voorkomen, waarbij een dalende rekenrente de verplichtingen in waarde laat stijgen, hetgeen ongunstig is voor de dekkingsgraad van het fonds, en omgekeerd. Verder is het zo dat bezittingen in de vorm van vastrentende waarden bij een stijging van de rente in waarde dalen en omgekeerd. De dekkingsgraad is derhalve gevoelig voor renteschommelingen. Het bestuur beschouwt het beheersen van het renterisico als zeer belangrijk voor het kunnen nakomen van de nominale verplichtingen.
Risicotolerantiegrens:
Bij een stijging of daling van de marktrente moet de renteafdekking zodanig stijgen of dalen dat de pensioenverplichtingen op basis van de marktwaarde voor de eerste 20 jaar bij een gemiddelde rente van 3% volledig worden gematcht.
Beheersmaatregelen:
- Het renterisico wordt afgedekt met beleggingen in vastrentende waarden en derivaten. Dit gebeurt volgens een rentestaffel. Die zorgt ervoor dat bij een hogere marktrente meer renterisico wordt afgedekt en bij een lagere rente minder renterisico wordt afgedekt. In het kader van de overgang naar de nieuwe pensioenregeling per 1 januari 2027 heeft het bestuur de renteafdekking eind 2024 verhoogd.
- Bij de uitvoering van een ALM-studie wordt de strategische beleggingsmix afgestemd op de rentegevoeligheid van de verplichtingen.
- Bij een parallelle renteschok van 1% mag de dekkingsgraad niet dalen onder de kritische dekkingsgraad, onder de voorwaarden zoals vastgelegd in het pijngrensbeleid. Dit wordt voortdurend gemonitord en zo nodig worden risico-afdekkende instrumenten aangekocht.
3 Veranderingen in wet- en regelgeving
Dit is het risico dat de werkwijze van het fonds (waaronder begrepen processen en producten) wordt beïnvloed dan wel niet meer houdbaar is als gevolg van veranderingen in de wet- en regelgeving.
Risicotolerantiegrens:
Als het fonds niet tijdig aan de veranderde regels kan voldoen waardoor een goede pensioenuitvoering niet langer kan worden gewaarborgd.
Beheersmaatregelen:
- Het bestuur zorgt dat het goed geïnformeerd blijft over aanstaande veranderingen in de wet- en regelgeving.
- Periodiek voert het bestuur een SWOT-analyse (Strengths, Weaknesses, Opportunities and Threats) uit. De meest recente SWOT-analyse is in 2024 uitgevoerd.
5 Inflatierisico
Dit is het risico dat het fonds onvoldoende in staat is om (verwachte) waardevastheid te realiseren, doordat inflatie (gedeeltelijk) niet kan worden gecompenseerd, waardoor de koopkracht van pensioenaanspraken en ‑uitkeringen achterblijft bij de verwachtingen van belanghebbenden.
Risicotolerantiegrens:
Het fonds heeft de ambitie om de pensioenaanspraken en -rechten waardevast te houden (doelstelling 2). Het fonds dekt het inflatierisico impliciet af via de strategische assetallocatie. Als inflatie-correlerende activa worden aangemerkt de categorieën vastgoed, aandelen en grondstoffen. Het fonds accepteert het resterende inflatierisico.
Beheersmaatregelen:
- Toeslagverlening is voorwaardelijk; er is geen recht op toeslagen. Wel heeft het bestuur de ambitie om pensioenen waardevast te houden.
- Het fonds streeft via het beleggingsbeleid naar het behalen van rendement.
- Gewichten van de inflatie-correlerende activa (aandelen, vastgoed, grondstoffen) dienen binnen de grenzen van de strategische assetallocatie te blijven.
8 Onvoldoende inzicht in processen en kwaliteit bij uitvoerders (uitbestedingsrisico)
Dit is het risico dat de continuïteit van (een deel van) de bedrijfsvoering, de reputatie van het fonds dan wel de financiële positie van of de geleverde kwaliteit aan het fonds in gevaar komen.
Risicotolerantiegrenzen:
- Continuïteit bedrijfsvoering: continuïteit van de bedrijfsvoering mag niet in gevaar komen.
- Integriteit: integriteit van een uitbestedingspartij moet gewaarborgd zijn.
- Kwaliteit dienstverlening: een uitbestedingspartij moet voldoen aan de kwaliteitseisen die het fonds heeft vastgelegd.
Beheersmaatregelen:
- Continuïteit bedrijfsvoering en kwaliteit dienstverlening: selectie van externe partijen vindt plaats op basis van de eisen zoals beschreven in het uitbestedingsbeleid, waaronder het beschikken over een beheerste en integere bedrijfsvoering, onder meer aantoonbaar via een ISAE 3402-verklaring of een gelijkwaardige certificering. Bij de selectie wordt grote aandacht besteed aan de juiste balans tussen prijs en kwaliteit.
- Met AZL is een Service Level Agreement (SLA) afgesproken. Daarnaast worden er diverse overige rapportages periodiek verstrekt en wordt elk kwartaal met AZL overlegd.
- Integriteit: in samenwerking met de externe complianceofficer is er een integriteitsbeleid opgesteld waaraan alle verbonden personen moeten voldoen.
- Integriteit: partijen worden gevraagd te verklaren of zij voldoen aan de Richtlijn beheerst beloningsbeleid.
9 IT-risico bij het fonds en de pensioenuitvoeringsorganisatie
Het fonds heeft geen eigen IT-systemen. Dit is uitbesteed aan externe dienstverleners.
In de uitbestedingsovereenkomsten zijn eisen voor IT-security en dergelijke vastgelegd. Verder is dit een terugkerend onderwerp bij besprekingen en evaluaties met leveranciers. Het IT-risico bij deze dienstverleners kan worden verdeeld in vier categorieën:
- Autorisatiemanagement en logische toegangsbeveiliging: het risico als gevolg van:
- het niet volledig of niet accuraat zijn van informatie/informatiesystemen;
- het toegankelijk zijn van informatie voor geautoriseerde gebruikers;
- het niet toegankelijk zijn van informatie voor niet-geautoriseerde gebruikers.
- Business en IT continuity management: het risico dat de continuïteit van de (kritische) bedrijfsprocessen / de gehele instelling in gevaar komt als gevolg van het niet beschikbaar zijn van de IT-infrastructuur (waaronder applicaties en systemen).
- IT changemanagement: het risico als gevolg van:
- ontoereikend beheer van de ICT-omgeving en/of -processen en/of;
- het onvoldoende (tijdig) kunnen anticiperen op ontwikkelingen in de business, op technische innovaties of op overige externe factoren;
- het niet tijdig en adequaat kunnen uitvoeren van changemanagement voor wijzigingen in de IT- architectuur.
- IT-incidentmanagement: risico dat een IT-incident niet of niet tijdig wordt onderkend, leidend tot een gebeurtenis waarbij de bedrijfsvoering van het fonds in gevaar komt.
Risicotolerantiegrenzen:
Voor alle categorieën geldt het volgende:
- Het fonds accepteert de kans dat een incident mogelijk is gedurende het komende jaar. Het fonds is zich ervan bewust dat nooit volledig uit te sluiten valt dat zich een incident voordoet, maar de impact van een incident dient altijd beperkt te zijn.
- Een enkel negatief effect is acceptabel, zolang het fonds zelf voldoende vertrouwen heeft in het eigen beleid en/of in staat is dit aan te passen. Structureel negatieve effecten zijn niet acceptabel, omdat dit zou betekenen dat het fonds niet langer voldoet aan de geldende wet- en regelgeving.
Beheersingsmaatregelen:
In de overeenkomsten met dienstverleners worden de volgende afspraken gemaakt:
- Autorisatiemanagement en logische toegangsbeveiliging: awarenesstrainingen voor phishing, social engineering en social surfing.
- Business en IT-continuity management: een business continuity plan met voldoende aandacht voor ICT-security, beleid op het gebied van disaster recovery, end-user computing (EUC), uitwijklocatie(s) en back-up- en recoverysystemen.
- IT-changemanagement: changemanagementbeleid waarbij vaste procedures gelden, periodieke controles worden uitgevoerd en updates tijdig worden geïmplementeerd.
- IT-incidentmanagement: incidentmanagementbeleid met procedures om incidenten te ontdekken, te classificeren en de (mogelijke) impact te bepalen, waarna effectieve beheersmaatregelen worden geselecteerd en geïmplementeerd.
- Locaties van functies en gegevensverwerking: ICT-dienstverleners dienen de serverlocaties te vermelden en het fonds op de hoogte te stellen bij wijzigingen van locaties.
- Met AZL, de kritieke ICT-dienstlener van het fonds, zijn in het kader van Digital Operational Resilience Act (DORA) aanvullende afspraken gemaakt over het testen van bedrijfsnoodplannen en ICT-beveiligingsmaatregelen, het rapporteren over ICT-gerelateerde incidenten en het uitvoeren van kwetsbaarheidsscans.
4.5 Risicobeeld pensioenfonds
4.5.1 Ontwikkeling VEV en vereiste dekkingsgraad
Een maat voor het financiële risico van het fonds is het Vereist Eigen Vermogen (VEV) en de bijhorende vereiste dekkingsgraad. De vereiste dekkingsgraad op basis van de strategische portefeuille ultimo 2025 was 124,2%. De beleidsdekkingsgraad op 31 december 2025 was met 146,0% hoger dan de dekkingsgraad behorende bij het VEV. Het fonds monitort de financiële positie doorlopend.
4.5.2 Impact markt- en renterisico op de dekkingsgraad per eind 2025 (gevoeligheidsanalyse)
Ieder kwartaal beoordeelt het bestuur de gevoeligheid van de dekkingsgraad ten opzichte van het markt- en renterisico door middel van het doorrekenen van stressscenario’s. Hierin wordt gekeken naar de impact van een (combi)schok van 1% parallelle rentedaling en een daling van 30% van de waarde van de beleggingen in aandelen. Eind 2025 bedroeg de actuele dekkingsgraad 152,5%. De kritische dekkingsgraad, de dekkingsgraad waarbij het fonds waarschijnlijk over moet gaan tot korting van de pensioenaanspraken, is ultimo 2025 berekend op 89,1%. Uit de doorgerekende stressscenario’s blijkt dat het fonds bij zowel een afzonderlijke als een gecombineerde schok boven de kritische dekkingsgraad blijft. Hierbij wordt rekening gehouden met de werking van het pijngrensbeleid.
4.5.3 Werking van het risicomanagement in 2025
Het risicomanagement heeft in 2025 een structurele en zichtbare rol gespeeld in de bestuurlijke besluitvorming van het fonds. Het integraal risicomanagement (IRM) vormt een vast onderdeel van de governancecyclus en ondersteunt het bestuur bij het tijdig signaleren, beoordelen en beheersen van zowel financiële als niet-financiële risico’s.
- Via de kwartaalrapportages van het IRM rapporteert de sleutelfunctiehouder Risicobeheer periodiek over het actuele risicobeeld van het fonds. Deze rapportages bestrijken zowel financiële risico’s, zoals marktrisico en renterisico, als niet-financiële risico’s, waaronder uitbestedings-, IT- en compliancerisico’s. Hiermee wordt een consistente en samenhangende monitoring van de risico’s gewaarborgd.
- In 2025 heeft het bestuur ieder kwartaal beoordeeld of de economische uitgangspunten van het fonds nog in lijn waren met de aannames die zijn gehanteerd in de meest recente ALM-studie. Gedurende het verslagjaar bleek dit steeds het geval. De dekkingsgraad bevond zich op een zodanig niveau dat er geen aanleiding was om in 2025 posities uit hoofde van het pijngrensbeleid in te nemen ter bescherming tegen een gecombineerde rente- en marktschok.
- Op het gebied van digitale weerbaarheid heeft het fonds in 2024 voorbereidingen getroffen om per 17 januari 2025 te voldoen aan de vereisten van de Digital Operational Resilience Act (DORA). In 2025 zijn met name voorbereidende en inrichtende stappen gezet, waaronder het vaststellen van beleid, het beleggen van verantwoordelijkheden en het verder structureren van de monitoring. De verdere implementatie en operationalisering van het DORA kader krijgt in 2026 vervolg.
- In aanvulling op de in 2024 uitgevoerde reguliere ERB, waarin het bestuur het risicobeheer als op orde heeft beoordeeld en de materiële risico’s en beheersmaatregelen heeft geëvalueerd, is in 2025 een tussentijdse ERB uitgevoerd. Deze was specifiek gericht op de risico’s die samenhangen met de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel. In deze tussentijdse ERB zijn de belangrijkste transitierisico’s opnieuw in beeld gebracht, waaronder uitbesteding, IT‑afhankelijkheden en datakwaliteit. De uitkomsten zijn expliciet betrokken bij de bestuurlijke besluitvorming en monitoring in de aanloop naar de transitie, met bijbehorende mitigerende maatregelen. In de volgende paragraaf wordt daar nader op ingegaan.
- Daarnaast heeft het bestuursbureau een risicomodel ontwikkeld waarin de risico’s bij de belangrijkste uitbestedingspartijen op een meer geobjectiveerde wijze worden vastgesteld en via een dashboard inzichtelijk zijn gemaakt. Dit risicomodel is ondergebracht in de IRM-monitor, die ieder kwartaal door het bestuur besproken wordt.
- In het kader van compliance is in 2024 een uitvraag gedaan bij de uitbestedingspartijen, waarin onder meer aandacht is besteed aan sanctiewetgeving, de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft), incidenten en algemene complianceaspecten. Uit deze uitvraag zijn geen materiële aandachtspunten naar voren gekomen.
- Voor de belangrijkste uitbestedingsrelaties heeft het fonds een gestructureerde overlegcyclus ingericht. Hierbij vinden op operationeel, tactisch en strategisch niveau periodiek overleggen plaats, gericht op het monitoren van de dienstverlening, het bespreken van risico’s en beheersmaatregelen en het afstemmen over relevante ontwikkelingen voor de uitvoering en continuïteit van de pensioenregeling.
- Tot slot zijn in 2025 verschillende thematische risicoanalyses uitgevoerd, onder meer met betrekking tot een mogelijke carve-out en ontwikkelingen in de geopolitieke en economische wereldorde. Deze analyses zijn betrokken bij de risicobeoordeling en de strategische oordeelsvorming van het bestuur.
4.5.4 Activiteiten ten aanzien van de transitie naar een nieuwe pensioenregeling
In 2025 heeft het fonds verdere stappen gezet in de voorbereiding op de transitie naar de nieuwe pensioenregeling. Daarbij lag de nadruk op het beheerst en evenwichtig kunnen doorlopen van de transitie, met specifieke aandacht voor de daarmee samenhangende risico’s, zoals uitvoerbaarheid, governance, IT‑afhankelijkheden, datakwaliteit en uitbestedingsrisico’s.
In dat kader is in 2025 een tussentijdse eigen risicobeoordeling (ERB) uitgevoerd. Deze tussentijdse ERB was specifiek gericht op de risico’s die samenhangen met de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel en vormt een aanvulling op de reguliere eigen risicobeoordeling. De uitkomsten zijn betrokken bij de bestuurlijke oordeelsvorming en verdere besluitvorming rondom de transitie, waaronder de aanscherping van het transitierisicobeeld en de inrichting van bijbehorende beheersmaatregelen.
Risk Self Assessment
Aanvullend op de tussentijdse ERB is in 2025 de periodieke Risk Self Assessment (RSA) voortgezet. De RSA wordt ieder kwartaal besproken in de risk‑ en compliancecommissie en vervolgens vastgesteld door het bestuur. De RSA richt zich op het identificeren en prioriteren van relevante financiële, operationele, juridische en strategische risico’s in het kader van de transitie en vormt daarmee een belangrijk instrument voor de monitoring van transitierisico’s.
Aanvullende risicoanalyses
Naast de integrale risicobeoordelingen zijn in 2025 verschillende afzonderlijke, thematische risicoanalyses uitgevoerd. Deze analyses hadden betrekking op specifieke vraagstukken en ontwikkelingen, waaronder een mogelijke carve‑out en externe ontwikkelingen zoals veranderingen in de geopolitieke en economische wereldorde. De uitkomsten van deze analyses zijn gebruikt ter ondersteuning van de bestuurlijke oordeelsvorming.
Audit implementatieplan en governance
In 2025 is, in opdracht van de sleutelfunctiehouder Interne audit, een audit uitgevoerd op de kwaliteit van de uitwerking van het implementatieplan. De audit concludeert dat de opzet van het implementatieplan op hoofdlijnen toereikend is, maar bevat aanbevelingen voor verdere verdieping van de uitwerking van de implementatiefase, onder meer ten aanzien van de concretisering van go/no‑go‑criteria, IT‑risico’s en datakwaliteitsbeheersing. Het bestuur heeft deze aanbevelingen betrokken bij de verdere doorontwikkeling van het implementatieplan.
Bij relevante besluiten in het kader van de transitie zijn de opinies van de sleutelfunctiehouders betrokken. Hiermee borgt het fonds dat risico’s op een onafhankelijke en consistente wijze worden meegewogen in de besluitvorming.
Bescherming invaardekkingsgraad
In december 2025 heeft het bestuur besloten om de minimaal gewenste invaardekkingsgraad te beschermen met behulp van financiële instrumenten. Deze bescherming bestaat uit het inzetten van receiver swaptions en aandelenputopties, waarmee negatieve effecten van ongunstige rente‑ en marktscenario’s op de invaardekkingsgraad worden begrensd. De uitvoering van deze niet‑lineaire beschermingsmaatregel heeft plaatsgevonden in januari 2026.
