Analyse van het resultaat
Analyse van het resultaat
In onderstaande tabel is een actuariële analyse van het saldo van baten en lasten opgenomen. Hierbij worden de actuariële uitgangspunten van het fonds vergeleken met de werkelijke actuariële ontwikkelingen over het verslagjaar. De bedragen wijken af van de bedragen in de jaarrekening, die boekhoudkundig zijn bepaald.
| Bedragen x € 1.000 | 2025 | 2024 |
|---|---|---|
| Beleggingsopbrengsten | -29.067 | 182.951 |
| Wijziging rentetermijnstructuur | 268.208 | -29.060 |
| Premies en koopsommen | 7.535 | 9.492 |
| Waardeoverdrachten | -3.936 | -4.379 |
| Kosten | 1.127 | 816 |
| Uitkeringen | 34 | 21 |
| Sterfte | -861 | 1.162 |
| Arbeidsongeschiktheid | 1.001 | 1.605 |
| Resultaat mutaties | 218 | 500 |
| Wijziging grondslagen | 0 | 3.042 |
| Toeslagverlening | -74.664 | -63.238 |
| Incidentele mutaties voorziening | 3.143 | -2.703 |
| Overige oorzaken | 183 | 122 |
| 172.921 | 100.331 |
In 2025 zijn de volgende belangrijke effecten op actuarieel resultaat te onderscheiden:
Beleggingen
Onder beleggingsrendementen worden verstaan:
- alle directe en indirecte beleggingsopbrengsten inclusief kosten van het vermogensbeheer;
- de rentelasten over vreemd vermogen, achtergestelde leningen en rekening-courantverhoudingen met andere partijen en ook de benodigde interesttoevoeging aan de technische voorzieningen. Deze laatste post wordt vastgesteld aan de hand van de eerstejaars spot rate uit de door DNB gepubliceerde RTS per jaar eind van het vorige verslagjaar.
Het resultaat op beleggingen in het boekjaar bedraagt € -29.067 duizend. Dit bedrag bestaat uit het behaalde beleggingsresultaat conform jaarverslag (€ 10.261 duizend) en de benodigde interesttoevoeging (€ -39.328 duizend). Het rendement op de beleggingen draagt in 2025 daardoor negatief bij aan de dekkingsgraad.
Wijziging rentetermijnstructuur (RTS)
De wijziging van de rentecurve leidt tot een sterke afname van de voorziening en dus tot een positief resultaat. Het resultaat hiervan bedraagt € 268.208 duizend.
Premie
De toename van de pensioenverplichtingen in het verslagjaar wordt gefinancierd door middel van een doorsneepremie. Voor het jaar 2025 bedraagt het premiepercentage betaald door de werkgever 27,6% (2024: 27,6%) van het gemaximeerde pensioengevend salaris. Deze premie bevat tevens de werknemersbijdrage van 2,45% van de pensioengrondslag. De deelnemersbijdrage boven het grensbedrag van € 122.973 bedraagt 6% (2024: € 118.746). Het resultaat op premie bedraagt € 7.535 duizend.
Waardeoverdrachten
Op de waardeoverdrachten die in het boekjaar zijn afgerond, ontstaat een resultaat. Dat komt omdat de overdrachtswaarde berekend is op de wettelijke waarderingsgrondslagen op het moment van overdracht, terwijl de mutatie in de technische voorzieningen is gebaseerd op de grondslagen van het fonds. In boekjaar 2025 is een negatief resultaat op binnenkomende waardeoverdrachten behaald. Op uitgaande waardeoverdrachten is een positief resultaat behaald. Het totale resultaat op waardeoverdrachten bedraagt € -3.936 duizend.
Kosten
De kosten voor de uitvoering van de pensioenregeling worden deels gedekt door de bijdrage uit de kostenvoorziening. Jaarlijks valt hieruit 2,5% van de uitgekeerde pensioenbedragen vrij. Daarnaast wordt een deel van de directe kosten gefinancierd uit de pensioenpremie. Uit de pensioenpremie is in 2025 een bedrag van 1,0% van de (parttime) pensioengevende salarissom beschikbaar ter dekking van de directe kosten. In boekjaar 2025 resulteert een positief resultaat van € 1.127 duizend op directe kosten.
Uitkeringen
In 2025 is er een klein resultaat (€ 34 duizend) op uitkeringen behaald. Dit ontstaat onder meer door nabetalingen over eerdere boekjaren en als gevolg van het vrijvallen van niet-opgevraagde pensioenen.
Kanssystemen
Aan het vaststellen van de technische voorzieningen liggen kanssystemen ten grondslag. De belangrijkste zijn sterfte (langleven en kortleven) (€ -861 duizend) en arbeidsongeschiktheid (€ 1.001 duizend).
Wijzigingen grondslagen
In het jaar 2025 zijn geen grondslagwijzigingen geweest.
Toeslagverlening
De aanpassing van de pensioenaanspraken van de (gewezen) deelnemers hangt af van de financiële positie van het fonds. Het bestuur heeft besloten om per 1 januari 2026 een toeslag van 2,9% toe te kennen.
Ook is per 1 januari 2026 is een inhaaltoeslag toegekend ter waarde van 1,5% van de totale technische voorzieningen, waaruit 54,0% van de nog resterende totale gemiste toeslagen kon worden gerepareerd. Het totale resultaat op toeslagverlening is € 74.664 duizend negatief.
Overige (incidentele) mutaties technische voorzieningen
Naast de wijziging van de TV als gevolg van de gewijzigde grondslagen kan de TV ook door andere redenen een incidentele wijziging ondergaan. In het boekjaar zorgde dit voor een positief resultaat van € 3.143 duizend. Onder deze post worden de wijzigingen van de ziekenvoorziening die niet veroorzaakt zijn door een RTS-effect (€ 3.132 duizend) verantwoord. Het resultaat op “correcties” bedraagt € 11 duizend in 2025.
Andere oorzaken
Dit zijn overige actuariële resultaten die ontstaan doordat de feitelijke uitkomsten afwijken van hetgeen actuarieel verondersteld is. Deze resultaten zijn niet toe te wijzen aan één van de eerder genoemde categorieën.
Gedempte kostendekkende premie
Het fonds maakt bij de toetsing van de premie gebruik van de wettelijk toegestane premiedemping. Conform de ABTN wordt de gedempte premie vastgesteld op basis van het verwachte toekomstige rendement van de strategische beleggingsportefeuille, waarbij een wettelijk voorgeschreven afslag voor toeslagen wordt toegepast. Dit verwachte rendement, verminderd met de indexatieafslag, is bepaald volgens de methodiek en maximale parameters van artikel 23a Besluit FTK.
In de volgende tabel is een overzicht van de kostendekkende premie opgenomen. De kostendekkende premie voor 2025 is berekend op basis van de rentetermijnstructuur per 31 december 2024. De gedempte kostendekkende premie is op basis van verwacht rendement vastgesteld.
| Bedragen x € 1.000 | Kostendekkende premie | Gedempte premie | Feitelijke premie |
|---|---|---|---|
| Inkoop onvoorwaardelijke opbouw | 47.371 | 22.174 | |
| Risicopremie overlijdensrisico | 1.308 | 884 | |
| Risicopremie arbeidsongeschiktheidsrisico | 2.224 | 2.224 | |
| Opslag voor toekomstige uitvoeringskosten | 1.184 | 554 | |
| Opslag voor directe uitvoeringskosten | 2.224 | 2.224 | |
| Solvabiliteitsopslag | 12.449 | 6.175 | |
| Opslag onvoorwaardelijke onderdelen | 10.652 | ||
| Ontvangen premie | 61.846 | ||
| Afrekening vorig jaar | 0 | ||
| 66.760 | 44.887 | 61.846 |
Premiedekkingsgraad
De premiedekkingsgraad geeft aan in hoeverre de ontvangen pensioenpremie in een jaar voldoende is om de nieuwe pensioenaanspraken te kunnen financieren. Deze wordt bepaald door de beschikbare premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen te delen door de actuarieel benodigde premie voor inkoop onvoorwaardelijke onderdelen. De beschikbare premie wordt verminderd met de opslag voor uitvoeringskosten. Bij een premiedekkingsgraad van minder dan 100% is er een tekort en daalt het vermogen van het fonds.
| Feitelijk minus opslag uitvoeringskosten: | 61.846 - 2.224 = 59.622 |
| Actuarieel benodigd: | 39.820 + 1.183 + 1.987 + 996 = 52.087 |
| Premiedekkingsgraad: | =59.622/52.087=114,5% |
Vereist eigen vermogen (VEV)
Het VEV is gebaseerd op de risico’s die horen bij de verschillende delen van de strategische assetallocatie en is bepaald op 24,2%. Indien het vereist eigen vermogen bepaald zou zijn op basis van de actuele portefeuille ultimo 2025 zou deze uitkomen op 24,7%.
Oordeel van de externe actuaris over de financiële positie
De financiële positie van het pensioenfonds is naar de mening van de certificerend actuaris voldoende omdat de beleidsdekkingsgraad ultimo 2025 boven het VEV ligt. Bij het oordeel is bepalend in hoeverre het pensioenfonds zal kunnen voldoen aan de verplichtingen, aangegaan tot balansdatum, in aanmerking nemend het streven inzake toeslagen, zoals aan verzekerden meegedeeld en de in wet- en regelgeving opgenomen criteria.