3.1 Financiële positie
De dekkingsgraad is een belangrijke maatstaf voor de financiële positie van het fonds. De dekkingsgraad geeft het pensioenvermogen als percentage van de contante waarde van de pensioenverplichtingen in de toekomst weer. Dekkingsgraden kunnen wijzigen door diverse factoren, zoals de ontwikkeling van de waarde van de beleggingen, de ontwikkeling van de rente, actuariële ontwikkelingen en veranderende wet- en regelgeving. Een financieel gezonde positie heeft het fonds indien de beleidsdekkingsgraad boven de vereiste dekkingsgraad van 124,2% ligt. Bij de vereiste dekkingsgraad is het pensioenvermogen even groot als de pensioenverplichtingen plus de verplichte risicobuffer. Deze verplichte risicobuffer heet ook wel het vereist eigen vermogen (VEV).
Actuele dekkingsgraad
Samengevat was de actuele dekkingsgraad ultimo 2025 152,5% (2024: 137,4%). Dit houdt in dat naar verwachting aan de huidige verplichtingen kan worden voldaan en dat er voldoende buffer tegen het risico van diverse financiële effecten zoals lagere beleggingsopbrengsten en lagere rente aanwezig is.
Per 1 januari 2026 is aan alle deelnemers een toeslag van 2,9% toegekend. Ook werd per 1 januari 2026 een inhaaltoeslag toegekend ter waarde van 1,5% van de totale technische voorziening, waaruit 54,0% van de resterende gemiste toeslagen kon worden gerepareerd. Het toekennen van deze toeslagen resulteert in een negatief dekkingsgraadeffect doordat deze toeslagen uit het eigen vermogen van het fonds worden gefinancierd. De financiële verantwoording van de toeslag valt in 2025 omdat het toeslagbesluit in 2025 genomen werd.
Beleidsdekkingsgraad
De beleidsdekkingsgraad wordt berekend als het voortschrijdend gemiddelde van de actuele dekkingsgraden over 12 maanden en was ultimo 2025 146,0% (2024: 141,2%).
De ontwikkeling van de dekkingsgraden van het fonds gedurende het jaar is hieronder weergegeven.
Dekkingsgraadontwikkeling
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| Dekkingsgraden | Actuele dekkingsgraad | Beleidsdekkingsgraad | Vereiste dekkingsgraad |
|---|---|---|---|
| dec-24 | 137,4% | 141,2% | 123,9% |
| jan-25 | 140,6% | 141,5% | 123,9% |
| feb-25 | 140,0% | 141,6% | 123,9% |
| mrt-25 | 139,4% | 141,6% | 124,1% |
| apr-25 | 135,2% | 141,0% | 124,1% |
| mei-25 | 141,1% | 140,7% | 124,1% |
| jun-25 | 144,7% | 140,6% | 124,2% |
| jul-25 | 147,6% | 140,9% | 124,2% |
| aug-25 | 148,5% | 141,3% | 124,2% |
| sep-25 | 151,0% | 141,9% | 123,7% |
| okt-25 | 154,2% | 143,0% | 123,7% |
| nov-25 | 156,8% | 144,7% | 123,7% |
| dec-25 | 152,5% | 146,0% | 124,2% |
| Dekkingsgraden | dec-24 | jan-25 | feb-25 | mrt-25 | apr-25 | mei-25 | jun-25 | jul-25 | aug-25 | sep-25 | okt-25 | nov-25 | dec-25 |
|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|---|
| Actuele dekkingsgraad | 137,4% | 140,6% | 140,0% | 139,4% | 135,2% | 141,1% | 144,7% | 147,6% | 148,5% | 151,0% | 154,2% | 156,8% | 152,5% |
| Beleidsdekkingsgraad | 141,2% | 141,5% | 141,6% | 141,6% | 141,0% | 140,7% | 140,6% | 140,9% | 141,3% | 141,9% | 143,0% | 144,7% | 146,0% |
| Vereiste dekkingsgraad | 123,9% | 123,9% | 123,9% | 124,1% | 124,1% | 124,1% | 124,2% | 124,2% | 124,2% | 123,7% | 123,7% | 123,7% | 124,2% |
De verandering in de actuele dekkingsgraad gedurende 2025 werd door de volgende effecten veroorzaakt:
Ontwikkeling dekkingsgraad 2025
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| Onderdeel | Waarde |
|---|---|
| Dekkingsgraad per 1 januari |
137,4% |
| Beleggingsrendement | -2,5% |
| Wijziging rente | 26,4% |
| Premie | -0,6% |
| Waardeoverdrachten | -0,6% |
| Kosten | 0,1% |
| Uitkeringen | 1,4% |
| Kanssystemen | 0,1% |
| Toeslagverlening | -5,8% |
| Overige mutaties TV | 0,3% |
| Andere oorzaken | 0,1% |
| Kruiseffecten | -3,8% |
| Dekkingsgraad per 31 december | 152,5% |
De grootste effecten (op volgorde van de grafiek) worden hieronder benoemd:
- De component “Beleggingsrendement” droeg licht negatief bij aan de dekkingsgraadontwikkeling in 2025. De portefeuille met vastrentende waarden rendeerde negatief door de rentestijging maar de portefeuille met zakelijke waarden rendeerde positief. Per saldo was het totale rendement over 2025 licht positief (0,6%), maar onvoldoende om de bijschrijving van de 1-jaarsrente aan de voorziening te financieren. Deze effecten resulteren tezamen in een negatief dekkingsgraadeffect onder de component “Beleggingsopbrengsten”.
- Door de stijging van de rente daalde de waarde van de benodigde voorziening, wat een positief effect op de dekkingsgraad heeft. Dit is in de bovenstaande grafiek separaat verantwoord onder de component "Wijziging rente".
- De nieuwe pensioenopbouw uit “Premie” resulteert in een negatief dekkingsgraadeffect doordat de premiedekkingsgraad lager is dan de aanwezige dekkingsgraad primo boekjaar.
- Het positieve dekkingsgraadeffect op “Uitkeringen” ontstaat primair door de solvabiliteitsvrijval over de verrichte uitkeringen (doordat de dekkingsgraad hoger dan 100% is).
- Per 1 januari 2026 is aan alle deelnemers een toeslag van 2,9% toegekend. Per 1 januari 2026 is tevens een inhaaltoeslag toegekend ter waarde van 1,5% van de totale technische voorziening, waaruit 54,0% van de nog resterende gemiste toeslagen kon worden gerepareerd. Het toekennen van deze toeslagen resulteert in een negatief dekkingsgraadeffect doordat deze toeslagen uit het eigen vermogen van het fonds worden gefinancierd.
- De component “overige mutaties TV" omvat onder andere de resultaten uit hoofde van de mutatie van de ziekenvoorziening.
Ten aanzien van de grafiek merken wij op dat alle procentuele resultaten berekend zijn als een individuele mutatie ten opzichte van de financiële positie primo boekjaar. De resultaten werken echter onderling op elkaar in. De component ‘‘kruiseffecten’’ dient daarom als sluitpost in het dekkingsgraadverloop. Deze kruiseffecten zijn dit jaar groot door de grote rentemutatie gedurende het jaar.
3.2 Status herstelplan
Als een pensioenfonds op grond van de beleidsdekkingsgraad niet langer voldoet aan het vereist eigen vermogen (VEV), dan moet het binnen drie maanden een herstelplan bij De Nederlandsche Bank (DNB) indienen. De beleidsdekkingsgraad ultimo 2025 lag met 146,0% boven het niveau van de vereiste dekkingsgraad van 124,2%. Daarmee is de financiële situatie van het fonds goed en hoeft het fonds geen herstelplan bij DNB in te dienen.
3.3 Haalbaarheidstoets en herstelkracht
Mede om toeslagen te kunnen financieren is het fonds bereid risico te lopen bij het beleggen. Het fonds meet het langetermijnrisico in termen van het zogeheten “pensioenresultaat” en de verwachtingen daarvoor worden jaarlijks berekend met behulp van een haalbaarheidstoets.
De haalbaarheidstoets geeft aan in hoeverre een waardevast pensioen kan worden bereikt, althans voor alle deelnemers gemiddeld. Onder een door DNB aangeleverde set van 10.000 economische scenario’s wordt per geboortejaar voor een periode van 60 jaar berekend wat het totaal uitgekeerde pensioen is als percentage van het pensioen dat zou zijn uitgekeerd als er nooit zou zijn gekort (ook niet op de pensioenopbouw) en er altijd zou zijn geïndexeerd met de prijsinflatie. Bij een uitkomst van 100% zijn pensioenen dus volledig met de inflatie meegegroeid.
In 2025 heeft het fonds geen haalbaarheidstoets uitgevoerd omdat het onder bepaalde voorwaarden niet nodig was om een jaarlijkse haalbaarheidstoets uit te voeren. DNB geeft aan dat deze uitzondering alleen geldt voor pensioenfondsen die voornemens zijn volledig in te varen en geen vastgestelde uitkering gaan uitvoeren. Het fonds voldoet aan deze voorwaarden.
3.4 Toeslagbeleid
Het bestuur streeft naar waardevastheid van de pensioenen door middel van het verlenen van een jaarlijkse toeslag (indexatie).
Toeslagverlening is voorwaardelijk: het bestuur beslist jaarlijks of - en zo ja hoeveel - toeslag wordt verleend op de pensioenrechten en pensioenaanspraken.
Maatstaf voor een eventuele toeslagverlening is de gemiddelde stijging van de consumentenprijsindex (CPI) voor alle bestedingen (afgeleid) gemiddeld voor de maanden augustus, september en oktober van het voorafgaande jaar zoals gepubliceerd door het CBS.

Voor het toeslagbeleid gelden de volgende regels:
- indien sprake is van een beleidsdekkingsgraad van 110% of lager wordt geen toeslag verleend;
- bij een beleidsdekkingsgraad boven de 110% en onder de TBI-grens (toekomstbestendige indexatie) van 135,0% kan een gedeeltelijke toeslag worden verleend;
- bij een beleidsdekkingsgraad boven 135,0% (TBI-grens) kan een volledige toeslag worden verleend.
Toeslag 2026
De gemiddelde stijging van de prijzen in de maanden augustus tot en met oktober in 2025 ten opzichte van diezelfde periode in 2024 was 2,9%. Het bestuur heeft daarom besloten om een toeslag te verlenen per 1 januari 2026 (over het jaar 2025). De toeslag wordt verleend aan zowel de actieve, gewezen als gepensioneerde deelnemers van het fonds.
Per 1 januari 2026 is tevens een inhaaltoeslag toegekend ter waarde van 1,5% van de totale TV per 30 september 2025, waaruit 54,0% van de resterende gemiste toeslagen kon worden gerepareerd.
3.4.1 Niet-verleende toeslagen
Vanaf 2009 zijn er veel jaren geweest waarbij de toegekende toeslag lager was dan de maatstaf. Hierdoor is een achterstand in de toeslagverlening (niet-verleende toeslagen) ontstaan die per (gewezen) deelnemer en pensioengerechtigde verschilt. De opgelopen achterstand wordt per persoon bijgehouden.
Onderstaande tabel geeft een overzicht van de maatstaf (volledige toeslag) en de toegekende toeslagen sinds 2009.
| Actieve deelnemers | Gewezen deelnemers en pensioengerechtigden | |||
|---|---|---|---|---|
| Jaar | Maatstaf (volledige toeslag) |
Toegekende toeslag | Maatstaf (volledige toeslag) |
Toegekende toeslag |
| 2009 | nvt | nvt | 2,90% | 0,00% |
| 2010 | nvt | nvt | 0,10% | 0,10% |
| 2011 | nvt | nvt | 1,30% | 0,50% |
| 2012 | nvt | nvt | 2,50% | 0,00% |
| 2013 * | nvt | nvt | 2,00% | 0,00% |
| 2014 | 1,80% | 1,80% | 1,20% | 0,20% |
| 2015 | 1,70% | 1,70% | 0,60% | 0,10% |
| 2016 | 1,5% - 2,0% | 1,50% | 0,40% | 0,00% |
| 2017 | 0,20% | 0,00% | 0,20% | 0,00% |
| 2018 | 1,40% | 0,00% | 1,40% | 0,00% |
| 2019 | 1,60% | 0,20% | 1,60% | 0,20% |
| 2020 | 1,70% | 0,00% | 1,70% | 0,00% |
| 2021 | 0,90% | 0,00% | 0,90% | 0,00% |
| 2022 | 2,70% | 2,70% | 2,70% | 2,70% |
| 2023 | 16,10% | 16,10% | 16,10% | 16,10% |
| 2024 | -0,60% | 0,00% | -0,60% | 0,00% |
| 2025** | 2,60% | 2,00%-2,60% | 2,60% | 2,00%-2,60% |
| 2026 | 2,90% | 2,90% | 2,90% | 2,90% |
De toeslagachterstand verschilt per individu, afhankelijk van de periode dat iemand in het verleden actieve deelnemer, gewezen deelnemer en/of pensioengerechtigde is geweest. Door het toekennen van een inhaaltoeslag wordt de achterstand verkleind.
Volgorde inhaaltoeslagen
Bij een beleidsdekkingsgraad hoger dan de TBI-dekkingsgraad kunnen de in het verleden niet-verleende toeslagen alsnog worden toegekend door het bestuur. Voor het toekennen van niet-verleende toeslagen (inhaaltoeslagen) wordt de pro-ratamethode toegepast. De pro-rata methode heeft per april 2017 de LIFO-methode met terugwerkende kracht vervangen. Met deze methode haalt iedereen in gelijke procentuele stappen de individuele achterstand in. Een achterstand blijft bestaan totdat de niet-verleende toeslag volledig is ingehaald.
Inhaaltoeslagen waarmee de achterstand wordt verkleind vonden plaats in:
1. In boekjaar 2022 inhaaltoeslag per 1-1-2022
2. In boekjaar 2023 inhaaltoeslag per 1-1-2023
3. In boekjaar 2024 inhaaltoeslag per 1-1-2025
4. In boekjaar 2025 inhaaltoeslag per 1-1-2026
Het fonds heeft het toeslagbeleid aangepast waarmee de mogelijkheid is gecreëerd om ultimo 2026 nog een (inhaal) toeslag toe te kennen per 31 december 2026.
3.5 Kostentransparantie
Het bestuur vindt een transparante verantwoording en heldere communicatie over de gemaakte kosten van belang. Het fonds hanteert daarvoor de Aanbevelingen Uitvoeringskosten opgesteld door de Pensioenfederatie. Er wordt onderscheid gemaakt in drie kostensoorten: A. pensioenbeheer, B. vermogensbeheer en C. transactiekosten.
In de volgende tabel staan de uitvoeringskosten per kostensoort. Voor iedere kostensoort wordt ook een kostenratio vermeld: € per deelnemer en/of % van het gemiddeld belegd vermogen.
- Voor de bepaling van de kosten per deelnemer wordt uitgegaan van de richtlijnen van de Pensioenfederatie. Het aantal deelnemers wordt bepaald als het totaal van de actieve deelnemers en pensioengerechtigden aan het einde van elk jaar. Gewezen deelnemers worden conform aanbevelingen niet meegenomen in de telling.
- Het gemiddeld belegd vermogen over 2025 is ongeveer € 2,1 miljard (2024: ongeveer € 2,0 miljard) waarbij het gemiddelde is bepaald conform de aanbevelingen van de Pensioenfederatie.
| Uitvoeringskosten en kostenratio’s per kostensoort | 2025 | 2024 | 2023 | 2022 | 2021 |
|---|---|---|---|---|---|
| Pensioenbeheer | |||||
| Kosten pensioenbeheer totaal (€ 1.000) | 2.599 | 2.578 | 1.824 | 2.231 | 1.290 |
| Kostenratio pensioenbeheer (€ per deelnemer) | 622 | 643 | 487 | 644 | 390 |
| Kostenratio (% van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,12% | 0,13% | 0,10% | 0,11% | 0,06% |
| Vermogensbeheer | |||||
| Kosten vermogensbeheer totaal (€ 1.000) | 4.497 | 4.263 | 3.741 | 3.510 | 3.370 |
| Kostenratio vermogensbeheer (% van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,21% | 0,21% | 0,20% | 0,18% | 0,16% |
| Transactiekosten | |||||
| Transactiekosten totaal (€ 1.000) | 616 | 788 | 1.411 | 1.142 | 918 |
| Kostenratio transactiekosten (% van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,03% | 0,04% | 0,07% | 0,06% | 0,04% |
| Uitvoeringskosten totaal | |||||
| Uitvoeringskosten totaal (€ 1.000) | 7.713 | 7.628 | 6.976 | 6.883 | 5.578 |
| Totale kostenratio (% van het gemiddeld belegd vermogen) | 0,37% | 0,38% | 0,37% | 0,35% | 0,26% |
| Deelnemersaantallen t.b.v. kostenratio's | |||||
| Actief | 2.424 | 2.273 | 2.016 | 1.752 | 1.571 |
| Gepensioneerd | 1.753 | 1.738 | 1.731 | 1.712 | 1.740 |
| Totaal | 4.177 | 4.011 | 3.747 | 3.464 | 3.311 |
| Pensioenbeheer | 0,12% | 0,13% | 0,10% | 0,11% | 0,06% |
| Vermogensbeheer | 0,21% | 0,21% | 0,20% | 0,18% | 0,16% |
| Transactiekosten | 0,03% | 0,04% | 0,07% | 0,06% | 0,04% |
| Totale kostenratio | 0,36% | 0,38% | 0,37% | 0,35% | 0,26% |
In de voorgaande tabel staan de realisaties voor de verschillende kostenratio’s. Het bestuur beoordeelt of deze ratio’s aan de maat zijn met behulp van een benchmark. Pensioenfondsen die per kostensoort vergelijkbaar zijn met ons fonds worden hierin aangeduid als “peergroup”. Zowel de peergroup als de benchmark in deze paragraaf zijn ontleend aan de Bell kostenbenchmarkrapportage 2025.
Hieronder worden de verschillende kosten, onder A “kosten pensioenbeheer”, B “kosten vermogensbeheer” en C transactiekosten toegelicht, steeds met een vergelijking met de peergroup.
A. Kosten pensioenbeheer
| Categorie (bedragen x € 1.000) | Kosten pensioenbeheer 2025 | Kosten pensioenbeheer 2024 | Verschil |
|---|---|---|---|
| Bestuurskosten | 1.471 | 1.201 | 270 |
| Kosten verantwoordingsorgaan en raad van toezicht | 61 | 57 | 4 |
| Administratiekosten | 1.029 | 873 | 156 |
| Accountantskosten | 68 | 54 | 14 |
| Kosten actuaris (certificering) | 29 | 30 | -1 |
| Adviezen, contributies en bijdragen | 539 | 467 | 72 |
| Wtp | 822 | 1.540 | -718 |
| Overige | 1 | 63 | -62 |
| Subtotaal uitvoeringskosten | 4.020 | 4.285 | -265 |
| Toerekening aan vermogensbeheer | -1.421 | -1.707 | 286 |
| Totaal kosten pensioenbeheer | 2.599 | 2.578 | 21 |
De kosten voor pensioenbeheer omvatten de kosten van de dienstverlening zoals uitgevoerd door de pensioenuitvoeringsorganisatie (PUO) AZL, alsmede kosten voor contributies en bijdragen, bestuur, communicatie, accountantswerkzaamheden en actuariële dienstverlening.
Een deel van de activiteiten binnen het pensioenbeheer houdt verband met het vermogensbeheer. De hieraan toe te rekenen kosten worden, op basis van een redelijke en consistent toegepaste verdeelsleutel, toegerekend aan vermogensbeheer. Deze toerekening is deels gebaseerd op inschattingen.
Contributies en bijdragen, evenals de controlekosten in verband met het jaarwerk, worden voor 25% toegerekend aan vermogensbeheer. De kosten van het bestuursbureau, de advieskosten (waaronder actuarieel advies, risicomanagement en overige advieskosten), de kosten van sleutelfunctiehouders en compliance worden voor 50% toegerekend. Tevens worden de kosten die samenhangen met de implementatie van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) voor 50% toegerekend aan vermogensbeheer. De doorbelaste kosten bedragen in 2025 € 1.421 duizend.
Algemeen
De uitvoeringskosten (vóór doorbelasting naar kosten vermogensbeheer) vallen € 265 duizend lager uit dan in 2024. Hoewel over de gehele linie sprake is van kostenstijgingen, zijn in 2025 minder kosten gerealiseerd ten aanzien van de Wet toekomst pensioenen (Wtp) dan in 2024. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door het feit dat de werkzaamheden in het kader van de Wtp niet gelijkmatig over de tijd verdeeld zijn. Deze afwijking is daarom niet maatgevend voor de verwachte kostenontwikkeling in 2026. Per saldo resulteert dit in 2025 in lagere totale pensioenuitvoeringskosten. Uitgedrukt als percentage van het gemiddeld belegd vermogen is een daling zichtbaar van 0,13% naar 0,12%.
Voor 2026 worden met name in het kader van de Wtp aanzienlijke kosten verwacht, die samenhangen met de technische migratie naar het nieuwe ICT-platform, de projectorganisatie en de inzet van diverse adviseurs. Indien de Wtp‑gerelateerde kosten buiten beschouwing worden gelaten, is over de jaren 2025 en 2024 sprake van een kostenstijging van € 453 duizend.
Bestuurskosten
De bestuurskosten behelzen een breed scala aan kosten, zoals het bestuursbureau, opleidingen en de bestuurdersvergoeding. Deze kosten zijn in 2025 toegenomen ten opzichte van 2024, voornamelijk door een uitbreiding van het bestuursbureau die samenhangt met enerzijds de intensieve werkzaamheden die het nieuwe pensioenstelsel met zich meebrengt en anderzijds een toename in werkzaamheden door verdere professionalisering.
Administratiekosten
Dit zijn de kosten voor het uitvoeren van de pensioenadministratie door AZL. De kosten in 2025 zijn gestegen ten opzichte van 2024 met name door reguliere indexatie van de vergoeding alsmede de uitvoering van werkzaamheden die samenhangen met wettelijke vereisten en een stijging in deelnemersaantallen.
Adviezen, contributies en bijdragen
Deze kosten omvatten onder meer de bijdragen aan de AFM en DNB, de kosten van sleutelfunctiehouders en de inzet van diverse adviseurs, voor zover deze geen betrekking hebben op Wtp‑onderwerpen. De kostenstijging in 2025 wordt hoofdzakelijk veroorzaakt door hogere contributies, welke samenhangen met de toename van de omvang van het fonds.
Wtp
Ten opzichte van 2024 zijn de Wtp kosten in 2025 met € 718 duizend afgenomen. Deze daling wordt hoofdzakelijk veroorzaakt doordat de kosten van het Wtp project bij de pensioenuitvoeringsorganisatie (PUO) niet gelijkmatig over de tijd zijn verdeeld. Daartegenover staat dat de kosten van adviseurs die nauw bij het Wtp project betrokken zijn, in 2025 zijn toegenomen. Deze stijging houdt verband met een veelvoud aan berekeningen en adviezen dit jaar.
Peergroup
De peergroup voor de kosten pensioenbeheer bestaat uit 60 pensioenfondsen met 2.000 tot 8.000 deelnemers. Er bestaan bij deze pensioenfondsen grote verschillen in de kosten per deelnemer. Verschillen worden veroorzaakt door meerdere factoren. Naast het feit dat het totaal van de kosten hoofdelijk wordt omgeslagen over de deelnemers (waardoor de kosten per deelnemer toenemen bij een klein deelnemeraantal) gaat het hier om de hoogte van de reguliere uitvoeringskosten, administratiekosten per deelnemer en incidentele uitvoeringskosten. De gemiddelde kosten pensioenbeheer in de periode 2022 tot en met 2024 waren voor de peergroup € 398 per deelnemer per jaar en voor ons fonds € 591 per deelnemer per jaar.
De kosten pensioenbeheer bedragen in 2025 € 2.599 duizend oftewel € 622 per deelnemer. De cijfers van de peergroup voor 2025 zijn nog niet bekend, maar zullen vermoedelijk (als gevolg van de Wtp-kosten bij andere fondsen) ook gestegen zijn. Wanneer de kosten pensioenbeheer worden gedeeld door het gemiddeld belegd vermogen (ongeveer € 2,1 miljard) dan bedraagt de kostenratio 0,12% en is lager dan 2024.
Bovenstaande grafiek in tabel-vorm:
| jaar | Kosten per deelnemer (€) |
|---|---|
| 2020 | 390 |
| 2022 | 644 |
| 2023 | 487 |
| 2024 | 643 |
| 2025 | 622 |
2022: Exclusief de eenmalige transitiekosten pensioenuitvoerder zijn de kosten per deelnemer € 451 i.p.v. € 644.
| Jaar | Pensioenfonds Gasunie | Peergroup | Pensioenfonds Gasunie % v.h. gemiddeld belegd vermogen |
|---|---|---|---|
| 2021 | € 390 / deelnemer | € 325 * | 0,06% |
| 2022 *** | € 644 / deelnemer | € 398 ** | 0,11% |
| 2023 | € 487 / deelnemer | 0,10% | |
| 2024 | € 643 / deelnemer | 0,13% | |
| 2025 | € 622 / deelnemer | nog niet bekend | 0,12% |
Oordeel bestuur
Het bestuur streeft bij het pensioenbeheer naar een evenwichtige verhouding tussen de geleverde kwaliteit en de daarmee gemoeide kosten. In lijn met doelstelling 4 van het fonds weegt de kwaliteit daarbij zwaarder dan de kosten. Het bestuur is zich bewust van de invloed van uitvoeringskosten op het uiteindelijke pensioenresultaat en handelt kostenbewust bij de uitvoering van het pensioenbeheer. Het bestuur constateert dat de kosten voor pensioenbeheer in 2025 net als in 2024 relatief hoog zijn uitgevallen, als gevolg van onvermijdelijke kosten in het kader van de overgang naar de Wtp. Het bestuur acht deze kosten aanvaardbaar.
B. Kosten vermogensbeheer
Onder “kosten vermogensbeheer jaarrekening” vallen de beheervergoedingen van de vermogensbeheerders, de kosten voor het inhuren van adviseurs en de kosten voor de custodian. Daarnaast is een deel van interne kosten pensioenbeheer - die betrekking hebben op vermogensbeheer - aan de kosten vermogensbeheer toegerekend. De “Overige kosten vermogensbeheer” bestaan onder andere uit accountantskosten, bewaarvergoedingen, administratiekosten en juridische kosten. Deze kosten worden gemaakt door de beleggingsfondsen waarin het fonds belegt en worden ten laste gebracht van het rendement. Het intern vermogensbeheer betreft onder andere cashmanagement, de allocatie van middelen over de externe vermogensbeheerders en de monitoring van de uitvoering van het vermogensbeheer. In onderstaande tabel zijn deze kosten inzichtelijk gemaakt.
2025
De 'Kosten vermogensbeheer jaarrekening' betreffen de directe kosten van het vermogensbeheer. De 'Overige kosten vermogensbeheer' zijn in mindering gebracht op het beleggingsresultaat.
| Categorie | Gem. vermogen (€ mln.) |
Kosten vermogensbeheer jaarrekening (€1.000) | Overige kosten vermogensbeheer (€1.000) | Totale kosten vermogensbeheer (€1.000) |
Totale kosten als % gem. vermogen |
|---|---|---|---|---|---|
| Extern beheerd vermogen | |||||
| Aandelen | 994 | 248 | 0 | 248 | 0,02% |
| Vastrentende waarden | 680 | 809 | 339 | 1.148 | 0,17% |
| Grondstoffen | 157 | 71 | 0 | 71 | 0,05% |
| Vastgoed beleggingen | 209 | 66 | 747 | 813 | 0,39% |
| Intern beheerd vermogen | 52 | - | - | - | |
| Overige diensten | |||||
| Pijngrensbeleid | - | - | |||
| Valuta-overlay/onderpandbeheer | - | - | |||
| Bewaar en betaaldiensten | 199 | 0 | 199 | ||
| Administratie en rapportage | 581 | 16 | 597 | ||
| Totaal excl. toerekening | 2.093 | 1.973 | 1.103 | 3.076 | 0,15% |
| Toerekening van deel kosten pensioenbeheer | 1.421 | 1.421 | 0,06% | ||
| Totaal vermogensbeheer | 2.093 | 3.394 | 1.103 | 4.497 | 0,21% |
2024
| Categorie | Gem. vermogen (€ mln.) |
Kosten vermogensbeheer jaarrekening (€1.000) | Overige kosten vermogensbeheer (€1.000) |
Totale kosten vermogensbeheer (€1.000) |
Totale kosten als % gem. vermogen |
|---|---|---|---|---|---|
| Extern beheerd vermogen | |||||
| Aandelen | 953 | 214 | 8 | 222 | 0,02% |
| Vastrentende waarden | 652 | 760 | 348 | 1.108 | 0,17% |
| Grondstoffen | 151 | 76 | - | 76 | 0,05% |
| Vastgoed beleggingen | 201 | 74 | 453 | 527 | 0,26% |
| Intern beheerd vermogen | 50 | - | - | ||
| Overige diensten | |||||
| Pijngrensbeleid | - | ||||
| Valuta-overlay/onderpandbeheer | - | ||||
| Bewaar en betaaldiensten | 187 | 10 | 197 | ||
| Administratie en rapportage | 346 | 80 | 426 | ||
| Totaal excl. toerekening | 2.007 | 1.657 | 899 | 2.556 | 0,13% |
| Toerekening van deel kosten pensioenbeheer | 1.707 | 1.707 | 0,09% | ||
| Totaal vermogensbeheer | 2.007 | 3.364 | 899 | 4.263 | 0,21% |
Toelichting
De totale kosten voor vermogensbeheer bedragen in 2025 € 4.497 duizend. Dit is circa 5,5% hoger dan in 2024. De afspraken met externe vermogensbeheerders over de beheervergoeding zijn grotendeels gebaseerd op een percentage van de waarde van de beheerde portefeuille. Dit impliceert dat bij een stijging van het beheerde vermogen — zoals in 2025 het geval was — de beheerkosten in absolute zin toenemen. Uitgedrukt als percentage van het gemiddeld belegd vermogen bleven de kosten vermogensbeheer met 0,21% gelijk.
Hieronder worden de belangrijkste mutaties en bijzonderheden ten opzichte van voorgaand jaar nader toegelicht.
- De kosten van vermogensbeheer voor aandelen zijn iets toegenomen. De kosten worden gerelateerd aan het belegd vermogen in aandelen dat in 2025 hoger lag dan in 2024.
- De waarde van de vastrentende waarden is in 2025 afgenomen, echter het gemiddelde ligt in 2025 hoger. Hierdoor namen de kosten in 2025 toe.
- De kosten van het vermogensbeheer voor de beleggingen in grondstoffen zijn in 2025 iets toegenomen. Dit wordt met name veroorzaakt doordat beheerkosten zijn gebaseerd op de waarde van de beleggingen.
- De vastgoedbeleggingen bestaan uit beursgenoteerd en niet-beursgenoteerd vastgoed. Het fonds is in 2025 minder in beursgenoteerd vastgoed gaan beleggen en meer in niet-beursgenoteerd vastgoed. Doordat de vermogensbeheerkosten voor niet-beursgenoteerd vastgoed hoger zijn dan de vermogensbeheerkosten voor beursgenoteerd vastgoed zijn de kosten per saldo toegenomen.
- De toerekening van het deel van de uitvoeringskosten aan de kosten van vermogensbeheer is ten opzichte van 2024 afgenomen. De afname bedraagt € 286 duizend en wordt veroorzaakt doordat minder uitvoeringskosten toegerekend konden worden aan vermogensbeheer. Wanneer we naar de overige onderdelen uit de bovenstaande tabel kijken zien we dat dat kosten van vermogensbeheer juist toenamen.
- De kosten voor het vermogensbeheer bedroegen in 2025, uitgedrukt als percentage van het beheerd vermogen, 0,21% en zijn daarmee gelijk aan het niveau van 2024. Dit relatief lage kostenniveau is het gevolg van het overwegend passieve beleggingsbeleid van het fonds. Binnen dit beleid volgen vermogensbeheerders een vooraf vastgestelde index binnen een beperkte bandbreedte, wat gepaard gaat met lagere kosten dan bij een actief beleggingsbeleid. Een groot deel van het beheerd vermogen is belegd in passieve aandelenfondsen en, in mindere mate, beursgenoteerde vastgoedfondsen, waarvoor lagere beheervergoedingen gelden. Daarnaast is er geen sprake van prestatiegerelateerde beloningen. Voor beleggingen in niet-beursgenoteerd vastgoed geldt daarentegen een hogere beheervergoeding dan gemiddeld. Dit hangt samen met de aard van deze beleggingen, waaronder de noodzaak tot actief onderhoud en de inzet van woningbeheerders. Bij de monitoring van deze beleggingen wordt het fonds ondersteund door een externe specialist. Het bestuur acht deze beleggingen, vanuit het oogpunt van diversificatie en verwacht rendement, passend binnen de strategische beleggingsmix van het fonds.
Peergroup
De peergroup voor de kosten van vermogensbeheer bestaat uit 62 pensioenfondsen met een beheerd vermogen tussen € 1,0 miljard en € 5 miljard ultimo 2024. Uit de tabel blijkt dat de kostenratio voor vermogensbeheer van het fonds — gedefinieerd als de vermogensbeheerkosten als percentage van het gemiddeld belegd vermogen — structureel lager is dan die van de peergroup. Over de periode 2022 tot en met 2024 bedraagt de gemiddelde kostenratio van het fonds 0,20%, tegenover 0,33% voor de peergroup.
Het is aannemelijk dat deze relatief lagere kosten samenhangen met de gekozen, overwegend passieve beleggingsstijl. Uit de meest recente benchmarkrapportage (Bell kostenbenchmark 2025) over de jaren 2022 tot en met 2024 blijkt dat binnen de peergroup slechts vijf van de tweeënzestig pensioenfondsen een lagere kostenratio dan het fonds realiseerden.
Kosten vermogensbeheer
| Jaar | Pensioenfonds Gasunie | Peergroup |
|---|---|---|
| 2021 | 0,16% | 0,31% * |
| 2022 | 0,18% | 0,33% ** |
| 2023 | 0,20% | |
| 2024 | 0,21% | |
| 2025 | 0,21% | Nog niet bekend |
Oordeel bestuur
Het bestuur is van oordeel dat de kostenratio voor vermogensbeheer — gedefinieerd als de vermogensbeheerkosten uitgedrukt als percentage van het gemiddeld belegd vermogen — gunstig is in vergelijking met die van vergelijkbare pensioenfondsen. Deze relatief lage kostenratio is voornamelijk toe te schrijven aan de gekozen, overwegend passieve beleggingsstijl. Naar het oordeel van het bestuur leidt deze beleggingsstijl, die gepaard gaat met lagere vermogensbeheerkosten, niet tot een lager rendement.
De met de vermogensbeheerders afgesloten uitbestedingscontracten worden periodiek geëvalueerd. Indien daartoe aanleiding bestaat, wordt een nieuw uitbestedingstraject gestart.
C. Transactiekosten
Onder “Transactiekosten jaarrekening” vallen de toe- en uittredingsvergoedingen van de beleggingsfondsen, de kosten van extern beheerde portefeuilles en de derivatentransacties. De “Overige transactiekosten” zijn kosten die door de beheerders ten laste van het rendement worden gebracht (zoals transacties binnen het fonds). Omdat de werkelijke transactiekosten meestal niet exact bekend zijn, zijn deze geschat in overleg met de betreffende vermogensbeheerder. In onderstaande tabel zijn deze kosten inzichtelijk gemaakt.
2025
| Categorie | Gem. vermogen (€ mln.) |
Transactiekosten jaarrekening (€1.000) |
Overige transactiekosten (€1.000) | Totale transactiekosten (€1.000) | Kosten als % gem. belegd vermogen |
|---|---|---|---|---|---|
| Extern beheerd vermogen | |||||
| Aandelen | 994 | - | 116 | 116 | 0,01% |
| Vastrentende waarden | 680 | - | 2 | 2 | 0,00% |
| Grondstoffen | 157 | - | 365 | 365 | 0,23% |
| Vastgoed beleggingen | 209 | - | 126 | 126 | 0,06% |
| Intern beheerd vermogen | 52 | - | - | - | |
| Overige diensten | |||||
| Pijngrensoverlay | - | - | |||
| Valuta/collateralbeheer | - | 7 | 7 | ||
| Totaal | 2.093 | 0 | 616 | 616 | 0,03% |
2024
| Categorie | Gem. vermogen (€ mln.) |
Transactiekosten jaarrekening (€1.000) |
Overige transactiekosten (€1.000) | Totale transactiekosten (€1.000) | Kosten als % gem. belegd vermogen |
|---|---|---|---|---|---|
| Extern beheerd vermogen | |||||
| Aandelen | 953 | 2 | 114 | 116 | 0,01% |
| Vastrentende waarden | 652 | - | 4 | 14 | 0,00% |
| Grondstoffen | 151 | - | 392 | 392 | 0,26% |
| Vastgoed beleggingen | 201 | - | 8 | 8 | 0,00% |
| Intern beheerd vermogen | 50 | - | - | - | |
| Overige diensten | |||||
| Pijngrensoverlay | - | - | - | ||
| Valuta/collateralbeheer | - | 258 | 258 | ||
| Totaal | 2.007 | - | 786 | 788 | 0,04% |
Toelichting
- Het fonds voert een passief beleggingsbeleid en heeft bij het overgrote deel van de beleggingen de intentie om deze voor langere tijd aan te houden (“buy-and-hold” strategie). De transactiekosten voor deze beleggingscategorieën zijn hierdoor relatief beperkt.
- Bij het beheer van de grondstoffenportefeuille worden derivaten ingezet. Kosten die gemaakt worden in de vorm van een opslag bij een derivatentransactie worden ook als transactiekosten gerekend. Dit verklaart de relatief hoge kostenratio bij de grondstoffen.
- Het fonds hanteert een dynamische rentestaffel voor het afdekken van de rente. In 2025 is de rente, ten opzichte van 2024 gestegen. Het fonds heeft de rente conform beleid afgedekt. De transactiekosten hiervan liggen in lijn met voorgaand jaar.
- Door de voldoende hoge dekkingsgraad van het fonds voerde het fonds gedurende 2025 (2024: idem) geen transacties uit hoofde van het pijngrensbeleid uit.
- De transactiekosten zijn in 2025 uitgekomen op 0,03% van het beheerd vermogen en daarmee een daling ten opzichte van 2024 (0,04%).
Peergroup
De peergroup bestaat uit 62 pensioenfondsen met een pensioenvermogen tussen € 1,0 miljard en € 5,0 miljard per eind 2024. De gemiddelde kostenratio transactiekosten (transactiekosten als percentage van het gemiddeld belegd vermogen) van de peergroup in de periode 2022-2024 bedraagt 0,08% en is daarmee hoger dan die van het fonds (0,06%). Door de gunstige financiële positie van het fonds zijn er door het fonds gedurende 2021 tot en met 2025 geen transacties uit hoofde van het pijngrensbeleid meer uitgevoerd.
Transactiekosten
| Jaar | Pensioenfonds Gasunie | Peergroup (mediaan) |
|---|---|---|
| 2021 | 0,04% | 0,07% * |
| 2022 | 0,06% | 0,08% ** |
| 2023 | 0,07% | |
| 2024 | 0,04% | |
| 2025 | 0,03% | nog niet bekend |
Oordeel bestuur
Het bestuur constateert dat de transactiekosten passend zijn bij het beleggingsbeleid.
3.6 Besturing en toezicht
3.6.1 Code Pensioenfondsen
Bij het inrichten van de governance, het dagelijks functioneren en de daaruit voortvloeiende besluitvorming, leeft het bestuur de intenties van de Code Pensioenfondsen na. In dit jaarverslag wordt gerapporteerd op grond van de normen uit de Code Pensioenfondsen 2024.
Overzicht verplichte rapportagenormen Code Pensioenfondsen
Behoudens norm 35 inzake diversiteit, voldoet het fonds aan alle normen. Het bestuur heeft altijd het ‘pas toe of leg uit principe’ gehanteerd. Hierna volgt een overzicht van de verwerking van de verplichte rapportagenormen 1 en 4 en de norm 35 waaraan het fonds niet voldoet.
Norm 1
Het pensioenfonds heeft een missie, visie en strategie. Daarin beschrijft het pensioenfonds wat het pensioenfonds wil betekenen en bereiken voor zijn belanghebbenden, rekening houdend met hun voorkeuren en belangen. Op deze wijze bepaalt het pensioenfonds wat zijn strategische doelstellingen en beleidsuitgangspunten, waaronder de risicohouding, zijn. Het pensioenfonds evalueert zijn missie, visie en strategie periodiek en rapporteert hierover in zijn bestuursverslag.
Locatie jaarverslag: paragraaf 2.5 (en website).
Toelichting fonds:
Gedurende de uitvoering van de huidige pensioenregeling (FTK) geldt de missie, visie en doelstellingen (MVD) die vastgesteld is in 2020. In deze MVD vindt het fonds het belangrijk dat de belanghebbenden, de deelnemers, het fonds kennen en begrijpen wat de keuzemogelijkheden van de deelnemers zijn. In de communicatie richting deelnemers is het uitgangspunt dan ook dat het fonds begrijpelijk communiceert en dat deelnemers weten wanneer ze in actie moeten komen.
In 2024 is de MVD herijkt en is een MVD voor de toekomstige uitvoering van de Wtp-regeling vastgesteld. In de MVD voor de Wtp-regeling is bepaald dat het van belang is om een dialoog met de deelnemers over hun belangen en voorkeuren te voeren en als fonds daar rekening mee te houden. Voor de invulling hiervan zijn de digitale spreekuren in 2025 voortgezet. De mogelijkheid om in de workshops open vragen te stellen blijft bestaan.
De informatie die het fonds van de deelnemers krijgt wordt vertaald naar onder andere verbetering van de communicatie richting deelnemers en wordt in combinatie met de uitkomsten van de periodieke deelnemersonderzoeken betrokken bij het bepalen van de doelstellingen en beleidsuitgangspunten.
Norm 4:
Het pensioenfonds verdiept zich in de voorkeuren van de bij het pensioenfonds betrokken belanghebbenden en betrekt deze voorkeuren bij het bepalen van zijn strategische doelstellingen en beleidsuitgangspunten en gaat daarover met de belanghebbenden in gesprek. Het pensioenfonds rapporteert hierover in het bestuursverslag.
Toelichting fonds:
Het fonds vindt het belangrijk dat het nieuwe pensioen zoveel mogelijk aansluit bij de wensen en voorkeuren van de deelnemers. Daarom heeft begin 2023 een onderzoek plaatsgevonden onder de deelnemers. Dit onderzoek ging over drie thema's:
- Keuzevrijheid en gezamenlijke verantwoordelijkheid
- Risico's: Hoeveel risico kunt u en bent u bereid te nemen met uw pensioengeld? (Risicopreferentieonderzoek)
- Beleggen: Hoe staat u tegenover maatschappelijk verantwoord beleggen?
De uitkomsten van het onderzoek zijn door de sociale partners meegenomen bij het maken van hun keuzes rondom het nieuwe pensioen zodat de wensen en voorkeuren van alle deelnemersgroepen daarin vertegenwoordigd waren.
Daarnaast zijn de uitkomsten van het onderzoek door het fonds meegenomen bij het bepalen van het beleggingsbeleid en de keuzes die daarin gemaakt zijn over maatschappelijk verantwoord beleggen op het gebied van milieu (Environment) en sociale (Social) en bestuursaspecten (Governance).
In september 2024 heeft het fonds onderzoek gedaan onder de deelnemers naar drie thema’s:
1. Beeld van het fonds
2. Kennis over en begrip van het nieuwe pensioen
3. Mening en wensen over de communicatie door het fonds
Het fonds gebruikte de uitkomsten van het onderzoek bij het vormgeven van de fondscommunicatie, het communicatiebeleidsplan 2025-2026 en het Wtp-communicatieplan.
Norm 35:
Ten aanzien van leeftijdsdiversiteit geldt als minimum dat er tenminste een persoon zitting heeft in het bestuur en het verantwoordingsorgaan (VO) of het belanghebbendenorgaan die jonger is dan 40 jaar. Ten aanzien van genderdiversiteit geldt als minimum dat er in de organen variatie is in geslacht of genderidentiteit.
Toelichting fonds:
Bestuur
Het bestuur van het pensioenfonds bestond ultimo 2025 uit zeven leden, waarvan vijf mannen en twee vrouwen. De jongste bestuurder was 36 jaar. Hiermee voldoet het fonds aan de minimale nagestreefde mate van diversiteit. In het bestuur neemt een bestuurder deel met een visuele beperking. In december 2025 zijn twee aspirant-bestuursleden benoemd, waarvan één vrouw.
Het fonds is in het gesprek met de werkgever over voor te dragen bestuursleden. Gasunie heeft in de afgelopen jaren een diverser medewerkersbestand gekregen. Dit biedt kansen voor het fonds om in de toekomst het bestuur aan te laten sluiten op de diversiteit van het medewerkersbestand.
Raad van Toezicht
Wat betreft de RvT streeft het bestuur naar minimaal één lid onder de 50 jaar. De RvT bestaat ultimo 2025 uit één vrouw en twee mannen. Geen van de leden is jonger dan 50 jaar.
Verantwoordingsorgaan
Het VO bestaat uit drie mannen, waarvan de jongste 40 jaar is. Bij de herbenoemingen in de afgelopen jaren van alle bestaande leden van het VO is stilgestaan bij het diversiteitsbeleid. Er is bij de herbenoemingen bewust gekozen voor ervaring boven diversiteit, omdat het pensioenfonds een turbulente tijd tegemoet gaat met de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel.
3.6.2 Zelfevaluatie en geschiktheidstoets
In 2025 heeft het bestuur onder begeleiding van een onafhankelijk externe partij een zelfevaluatie uitgevoerd. Het bestuur heeft tijdens de zelfevaluatie aandacht besteed aan het functioneren van het bestuur en de bestuursleden, de mix van kennis en ervaring van bestuursleden, de frequentie van vergaderen en permanente opleiding. Bij deze zelfevaluatie is ook teruggekeken naar de zelfevaluatie in 2024 en heeft de punten die opnieuw onder de aandacht gebracht moeten worden specifiek besproken. Het bestuur heeft tijdens de zelfevaluatie een top 3 met goede punten en een top 3 met verbeterpunten vastgesteld.
Naast deze dag heeft het bestuur in oktober 2025 een risicomanagementdag georganiseerd waarbij onder begeleiding van externe partijen een aantal onderwerpen is behandeld. Tijdens deze dag is aandacht besteed aan de ICT-risicoanalyse voor AZL conform DORA. Daarnaast is de SIRA geactualiseerd en is er uitgebreid stilgestaan bij de scenario’s die tot uitstel van de transitiedatum kunnen leiden. Met de uitkomsten van de bespreking van deze scenario’s is een paraatheidsplan opgesteld dat op 2 december 2025 is vastgesteld. De risicomanagementdag werd afgesloten met een educatiesessie over AI.
De bestuursleden hebben in het jaar 2025 individuele opleidingen zowel digitaal als in persoon gevolgd. De opleidingen besloegen onderwerpen als de Wtp-transitie, ICT (awareness en AI) en ESG.
In 2025 is wederom in de bestuursvergaderingen geruime aandacht besteed aan het project Wtp. Hierbij zijn diverse onderwerpen die samenhangen met de implementatie van Wtp uitgebreid behandeld. In 2025 zijn tijdens permanente-educatiesessies van het bestuur verschillende onderwerpen aan de orde gekomen, te weten: renteafdekking, ESG en AI.
Het geschiktheidsbeleid van het fonds is t.o.v. 2024 ongewijzigd.
3.6.3 Compliance en gedragscode
Het pensioenfonds hanteert een gedragscode. De gedragscode is van toepassing op alle aan het fonds verbonden personen en insiders. In 2024 is de gedragscode geactualiseerd conform de Modelgedragscode 2023 van de Pensioenfederatie.
Het fonds maakt gebruik van een externe complianceofficer voor de uitoefening van het toezicht op de naleving van compliance-gerelateerde regelgeving. Begin 2026 hebben alle verbonden personen en insiders van het fonds de verklaring naleving gedragscode gedurende 2025 ondertekend. Daarnaast heeft de jaarlijkse inventarisatie van de nevenfuncties van de verbonden personen, relatiegeschenken, uitnodigingen, financiële belangen in zakelijke relaties, persoonlijke transacties en overige situaties van belangenverstrengeling plaatsgevonden. De complianceofficer heeft deze gegevens aangeleverd in een compliancerapportage.
Er zijn door de complianceofficer in de aangeleverde verklaringen geen afwijkingen vastgesteld met betrekking tot de naleving van de gedragscode.
3.6.4 Naleving Gedragslijn verwerking Persoonsgegevens
In december 2022 is de Gedragslijn verwerking Persoonsgegevens 2023 van de Pensioenfederatie in werking getreden. Met deze Gedragslijn wordt gestreefd naar een sectorbreed kader voor privacybescherming.
Conform de bepalingen van de Gedragslijn is de naleving van de gedragslijn door het fonds getoetst door de externe complianceofficer. Uit de rapportage blijkt dat de privacydocumenten van het fonds van goede kwaliteit zijn en aan de AVG en de Gedragslijn voldoen.